Lang Leve de 100 jarige

Lang Leve de 100-jarige

Themadag Pabo Driestar educatief 3 oktober 2017 rondom de viering Vrijheid van Onderwijs

L.N. Rottier

St Jan Gouda – Themadag PABO 171003

 

 

Een driedubbele felicitatie

Graag wil ik beginnen met het uitspreken van een driedubbele felicitatie.

*

Ik feliciteer Nederland met het onderwijsbestel waarin naast openbare scholen ook bijzondere scholen bekostigd worden door de staat.

De belastingen die wij betalen, waarvan een fors deel naar onderwijs gaat, komen zo ten goede aan alle bevolkingsgroepen in Nederland.

100 jaar geleden, in 1917, is dat door onze toenmalige regering en parlement besloten. De pacificatie noemen we dat, de financiële gelijkstelling. Vrijheid van Onderwijs was er al sinds de grondwet van 1848, maar financiële gelijkstelling is van 1917. Dat was een belangrijk moment in onze politieke geschiedenis. Daar hebben we als Nederland laten zien dat we met elkaar willen samenleven in een verdeeld land. Dat we ieders eigenheid willen accepteren en ruimte willen bieden aan verschil. Die pacificatie kun je zien als een waarborg voor minderheden en een toonbeeld van tolerantie.

*

Ik feliciteer het christelijk onderwijs in ons land. Regelmatig hebben we bij Driestar hogeschool onderwijsmensen uit andere landen over de vloer. Vol trots vertel ik hen elke keer weer over de unieke situatie, dat wij als christelijke hogeschool en al die andere christelijke scholen volledige subsidie van de overheid ontvangen. Dat is uniek. In de ogen van zulke gasten, meestal werkzaam in niet gesubsidieerde  christelijke scholen is dat een soort paradijs.

*

En ik feliciteer jullie, studenten van Driestar hogeschool. Jullie maken gebruik van het recht om een bijzondere school te bezoeken. Je wilt opgeleid worden tot leraar en gaat waarschijnlijk later op een bijzondere school werken. Dank God dat dit in ons land mogelijk is. Werk hard om een goede, christelijke leraar te worden. En wees gemotiveerd om je in te zetten voor het onderhouden en doorontwikkelingen van onze scholen. En voel je vooral geroepen om een bijdrage te mogen leveren aan de vorming van  de komende generatie, kinderen, jongeren, christenen, burgers van Nederland en naar we hopen toekomstige leden van de christelijke kerken.

*

Dat wij kinderen en jongeren mogen vormen in de lijn van de eigen religieuze overtuiging en ons geloof is wat ons betreft de grote zegen van de onderwijsvrijheid.

Ik noem dit de pedagogische meerwaarde van de vrijheid van onderwijs.

Hier zal ik eerst iets over zeggen.

Daarna ga ik in op kritiek vanuit politiek en samenleving op de onderwijsvrijheid en m.n. ook op ons type scholen.

En ik sluit af met twee belangrijke vragen die onder de discussie van onderwijsvrijheid liggen en waar we steeds meer mee in aanraking en ook botsing zullen komen.

 

De pedagogische meerwaarde van de onderwijsvrijheid.

Het christelijke geloof en het christelijke denken is niet los verkrijgbaar. Je kunt niet een uurtje in de week een les geven in christelijk denken en dan aan het eind een tentamen en daarmee je punten gehaald hebben en zo een christelijke leraar worden.

Leven als een christen is een geïntegreerd leven. Als het goed is ben je als christen een man of vrouw uit één stuk, integer, je belijdt een christen te zijn en dat is zichtbaar in je leven.

Dat is ook wat christelijke ouders en christelijke leraren op het oog hebben in de opvoeding, het onderwijs, de vorming van kinderen en jongeren. Dat het volwassen mensen worden die zich verbonden weten met Christus en als christen leven, denken en handelen.

Christenzijn heeft met je héle leven te maken.

En het heeft állereerst met God te maken, de God van de Bijbel die zich bekend maakt als Vader, Zoon en Heilige Geest. De Schepper en de Onderhouder van ons leven.

Hij is het centrum van het christenleven. We kunnen alleen maar christen zijn als we met Hem een relatie hebben, een relatie van geloof en liefde. Die relatie is het belangrijkst en kleurt ons leven. Dan willen we voor Hem leven, voelen we ons afhankelijk van Hem en willen Hem ook volgen en gehoorzamen.

Dat bedoel ik met: leven als een christen is een geïntegreerd leven.

Hoe word je zo’n christen? Jullie eerste antwoord zal waarschijnlijk zijn: door wedergeboorte en bekering. Dat is een belangrijk Bijbels en reformatorisch principe. De verlossing komt niet bij ons vandaan, maar van de andere kant, van God zelf. Maar daarbij worden mensen ingeschakeld. God werkt door mensen, door vaders en moeders, door meesters en juffen. De opvoeders en onderwijzers zijn de handen van God waarmee Hij werkt in de levens van kinderen en jongeren. Koelman zei: opvoeders zijn medewerkers van God.

In Afrika kennen ze een spreekwoord: It takes a village to raise a child. Om kinderen op te voeden heb je een heel dorp nodig. Een gemeenschap. Een groep mensen die iets met elkaar heeft, die een gezamenlijke cultuur ontwikkelde, waarden deelt. Zo is het ook haast onmogelijk om in je uppie christen te zijn of je als christen te ontwikkelen, dat gebeurt vooral in een gemeenschap, waarin mensen zijn die waarden voorleven en doorgeven. Een gemeenschap die uitlegt, stimuleert, voorgaat, bemoedigt. En zo worden kinderen gevormd. Eerst door ouders en daarnaast ook door de gemeenschap. Het belang van de Bijbel en het omgaan met de Bijbel leren kinderen doordat ouders en andere laten zien wat dit voor hen zelf betekent.

Na gezin en familie is de school zo’n gemeenschap. Een pedagogische gemeenschap die onderwijst en opvoedt in het verlengde van wat ouders voorstaan. In de gemeenschap van een christelijke school gebeurt dit door het hanteren van de Bijbel, de inhoud van de vakken, christelijke praktijken als bidden, zingen, maar vooral ook doordat daar mensen werken die die waarden voorleven.

Dat is waarom wij zo blij zijn met de onderwijsvrijheid. Dat school, gezin en ook kerk één gemeenschap vormen, die kinderen op een christelijke wijze vormt en toerust voor en plek in de samenleving.

Wij prijzen ons gelukkig te leven in een land waar ouders een school kunnen kiezen die past bij de opvoeding thuis.

Kritiek op VVO

Ik wil in het tweede deel van mijn verhaal luisteren naar de kritiek vanuit politiek en samenleving van mensen die niet zoveel of helemaal niets hebben met de VVO.

Drie kritiek richt zich op drie punten: 1. Indoctrinatie. 2. Segregatie. 3. Toegankelijkheid.

1 Indoctrinatie

Een deel van de tegenstanders zegt:’ De religieuze school indoctrineert en dat is buitengewoon slecht voor onze samenleving’.

Laten bijvoorbeeld even naar Aleid Truyens columniste van de Volkskrant. Het citaat komt uit een ouder stuk maar is nog steeds relevant.

God heeft op school niets te zoeken. Het is in strijd met de scheiding tussen Kerk en Staat dat de overheid religieuze scholen bekostigt. En’, zo gaat ze verder, ‘Kinderen moeten worden beschermd tegen gevaarlijke lariekoek. Dat vrouwen minderwaardige wezens zijn bijvoorbeeld. Dat homoseksualiteit een enge ziekte is. Op scholen moeten kinderen hun hoofdoekjes, keppeltjes en Bijbels bij de kapstok achterlaten. Een school waar mensen van alle gezindten werken, die kinderen leren welke opvattingen en geloofsrichtingen er zoal in de wereld bestaan – wat een walhalla zou dat zijn zo’n school. God, mocht Hij bestaan, heeft alle kindertjes even lief en heeft hen uitgerust met een verstand en een vrije wil. Het is aan ons om ze dat verstand te laten ontwikkelen, zodat ze zelf kunnen kiezen.’ (De Volkskrant 09-09-25).

Zij en vele liberale vrijheidsdenkers verafschuwen het feit dat de overheid scholen bekostigt, waarin kinderen in hun ogen geïndoctrineerd worden.

Vorige week schreef Rosa van Gool in de Volkskrant:

‘Het voornaamste bezwaar, vooral tegen orthodoxe scholen, is de indoctrinatie van kinderen: leraren zwijgen de evolutietheorie dood of betogen zelfs dat evolutie net zo goed een geloof is’ (..)

‘School moet kinderen juist de kans geven om nieuwe dingen te horen, tot nieuwe inzichten te komen, om een zelfdenkend individu te worden. Om met Lubach te spreken: ‘School is dé plek om erachter te komen dat je ouders gek zijn.’

Hoe kunnen we op deze kritiek reageren?

Het gesprek aan gaan, argumenten daar tegenover zetten en ook hen uitnodigen op je eigen school. Dat laatste helpt soms om hardnekkige en soms bizarre beeldvorming bij te stellen.

Er is ook geen enkel bewijs dat kinderen die in een homogene gemeenschap worden opgevoed en onderwezen het in de praktijk van leven slecht zouden doen. Eerder het tegendeel is waar. Als vorming van kinderen op een eerlijke en goede manier plaatsvindt, kunnen zij vanuit die veiligheid juist uitstekend kennismaken met andere culturen en ideeën zonder daar direct een oordeel over te hebben wat ontmoeting in de weg staat. Een christelijke school is ook gericht op de wereld waarin we leven en moet kinderen daarmee in aanraking brengen.

Kees v.d. Staaij zei in de documentaire ‘Toen was geloof heel gewoon’: ‘Ik ben gevormd in de zuil en sta in de wereld.’ Hij is denk ik het levende bewijs van iemand die in een reformatorische context is opgevoed, maar het zeer goed doet als Tweede Kamer lid enis in staat is om goede gesprekken te voeren aan de tafels van de Pauwen en Jineks in ons medialandschap.

Er is niks mis met een opvoedingsmilieu dat veel cohesie vertoont. Integendeel. Kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid. Stabiele gezinnen, met vader en een moeder die van elkaar houden en elkaar trouw zijn, die een duidelijk en prettig klimaat scheppen in hun gezin en die aan die kinderen waarden  meegeven die koers geeft aan hun leven, ‘leveren’ nuttige en ijverige leden van onze maatschappij.

Er is nog een enorme misvatting in het spel bij deze kritiek. Het keppeltje aan de kapstok hangen als je de school binnenkomt, dat kan niet. Iedereen weet dat dit bij een deel van de Joodse gelovigen echt bij het leven uit de Thora hoort. Godsdienst is niet los verkrijgbaar.

En kinderen laten kiezen nadat ze in alle godsdiensten onderwezen zijn, veronderstelt dat je als opvoerder neutraal kunt zijn en belangeloos alle mogelijkheden voor het kind neerlegt en het kind dan in opperste vrijheid kan kiezen. Daar is veel tegenin te brengen, mensen zijn veel minder vrij dan ze denken en neutraal opvoeden is onmogelijk. Aleid Truijens heeft ook een mening en die steekt ze niet onder stoelen of banken, zij kiest voor een gemengde, niet religieuze school. Zo wil zij kinderen opvoeden. Dit zou je ook een geloof kunnen noemen.

Helaas zijn er op dit punt misstanden in religieuze scholen. Die moeten worden aangepakt. Dat gebeurt ook, door de onderwijsinspectie. Maar we moeten niet van de weersomstuit vanwege een paar malcontenten een heel onderwijsbestel dat zich al 100 jaar heeft bewezen onderuit gaan halen. Dat lijkt me een buitengewoon domme zet. En is aantoonbaar in tegenstrijd met at in 1917 besloten is: diversiteit werd toen niet ontkend maar geïnstitutionaliseerd.

2 Segregatie

Op de vraag hoe het gaat geven we als Nederlandse bevolking het antwoord: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht.’ Daarmee bedoelen we: Het gaat niet zo goed in onze samenleving. De tegenstellingen nemen toe, de kloof tussen arm en rijk groeit. Dat levert in toenemende mate spanning op.

Er zijn mensen die de VVO aanwijzen als een van de oorzaken hiervan.

Op de nieuwssite van NPO 1 verscheen vorige week een column van journaliste Phaedra Werkhoven met de titel: ‘Weg met die idiote verzuilde scholen.’

Kinderen sorteren naar verschillende scholen werkt segregatie in de hand. Onze samenleving is een pluriforme samenleving, kinderen  moeten van jongsaf leren in die samenleving participeren en leren omgaan met verschillen.

Daarom’, zegt mevrouw Werkhoven, ‘pleit ik al tijden voor gemixte scholen. Voor appeltaart en baklava in de les, van Suikerfeest en kerstmis, alle niveaus bij elkaar, alles kunnen zeggen. Weg met die idiote verzuilde scholen. Ik wil schoolpleinen waar alle ouders staan, waar iedereen Nederlands spreekt en alle kinderen met elkaar willen spelen. Het lijkt een utopie, en noem me naïef, maar daar, bij onze kinderen, ligt wel het daadwerkelijke begin van de oplossing.’

Het lijkt eenvoudig, maar dat is het niet. Tegenstellingen in de samenleving zijn niet zomaar een op een aan te wijzen als het effect van de VVO. Huisvestingsbeleid in een stad b.v. heeft veel meer invloed of burgers zich wel of niet mengen. Als je wijken maakt met voor alle inkomensklassen betaalbare woningen, dus koop en huur door elkaar, ontstaat er ook een gemengde wijk.

Dat er een probleem is in onze samenleving met het omgaan met verschillen is evident, dat moeten we ons ook aantrekken, maar afschaffen van de onderwijsvrijheid lost dit niet op. En op heel veel bijzondere scholen is de leerlingenpopulatie heel divers.

Tijs van de Brink reageerde de volgende dag op dezelfde site als volgt:

Nou heb ik goed nieuws voor Werkhoven: die scholen bestaan. En ze heten bijzondere scholen. Maar liefst 60 (!) procent van alle leerlingen met een niet-Nederlandse achtergrond gaat naar een bijzondere school, waar uiteraard ook relatief meer protestantse en katholieke leerlingen zitten. Ik zal niet zeggen dat op de ‘bijzondere schoolpleinen’ alle ouders staan, maar daar staat absoluut een gemêleerd gezelschap.’

De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat dit klopt voor een groot deel van de bijzondere scholen. Op reformatorisch scholen is de populatie niet representatief voor de Nederlandse samenleving. Dat hoeft ook niet, maar het is voor ons daarom wel een belangrijke taak om kinderen respect aan te leren voor dat meisje met die hoofddoek, het allochtone gezin in de straat en die neef die D66 stemt. Je hoeft niet naast elkaar in de klas te zitten om respect te leren voor de ander.

3 .Toegankelijkheid

Het feit dat bijzondere scholen een eigen toelatings- en benoemingsbeleid mogen hanteren, geënt op de levensbeschouwelijke grondslag van de school, roept veel kritiek op die soms ook een zware emotionele lading krijgt.

Femke Halsema zei ooit:

De vrijheid van onderwijs zal ik altijd verdedigen. Die vrijheid behelst wat mij betreft het recht van ouders om een school te stichten overeenkomst hun levenswijze, maar niet het recht van schoolbesturen om leerlingen of leraren te weigeren. Scholen die dat toch doen, plaatsen het grondrecht waarop ze zijn gebouwd in een kwade reuk.’

Tja hier zit een opvatting achter als zou de VVO betekenen dat ouders het recht hebben om op elke school in NL hun kind in te schrijven. M.i. is dat niet de betekenis van onderwijsvrijheid.

Onderwijsvrijheid geeft ouders het recht om eigen school te stichten en  daar zelf regels te stellen aan de richting en de inrichting van het onderwijs, het personeelsbeleid en het toelatingsbeleid. Dit alles binnen de grenzen van de wet vanzelf. Die ruimte van ouders noemen we onderwijsvrijheid. Dat dit door de overheid bekostigd is billijk. Deze burgers betalen evenveel belasting als alle anderen.

Overigens geldt dit maar voor kleine groep scholen meeste voor iedereen toegankelijk.

Tot slot

Er zijn twee dieperliggende vragen die onder bovengenoemde discussies liggen.

1 Hoe zie je burgerschap?

De school moet een bijdrage leveren aan het ontwikkelen van burgerschap van jongeren. Immers zij moeten leren om in de samenleving op een goede manier te participeren. Dat onderschrijf ik voor 100% en hier een bijdrage aan leveren moet van elke school gevraagd worden.

Maar onder de propaganda voor burgerschap schuilt ook een drang scholen te laten aanpassen aan de waarden en normen en ideologie van onze moderne Westerse samenleving.

Daar wringt de schoen. Orthodoxe christenen en hun scholen willen zich  juist niet aanpassen aan deze wereld en wat de goe-gemeente denkt en zegt. Staat kritisch in deze wereld. En wil zich vooral laten gezeggen door wat God in Zijn Woord van ons vraagt. Dat roept dus per definitie aversie op, bij mensen die vinden dat de seculiere waarden niet alleen onderwezen, maar ook gedeeld moeten worden door alle leerlingen en studenten op publiek gefinancierde scholen.

Het gaat hier om een onderliggende strijd van de seculieren om geloof uit het publieke domein te verwijderen. Die strijd neemt gevaarlijke vormen aan. De seculiere meerderheid lijkt een orthodoxe minderheid niet meer de ruimte te gunnen om in het publieke domein of in eigen kring te leven en denken zoals zij wenst. Er is een toenemende meerderheidsdwang zichtbaar tegen minderheden.  Dit is in flagrante tegenstelling tot de basiswaarden van ons democratisch bestel. ‘Een democratie representeert niet de eenheid van een volk, maar juist haar verscheidenheid’, schreef iemand. De democratie gaat dan ook over de bescherming van minderheden. Het omgekeerde worden we gewaar. Er is een meerderheidscultuur aan het ontstaan, liberaal, seculier en blank. Deze lijkt haar macht te gaan misbruiken door de staat te laten ingrijpen haar waarden aan de rest van de samenleving op te leggen. De ruimte voor verschil kalft af.

 

2 Van wie is het kind?

De tweede fundamentele vraag die onder de discussie ligt is: Wie heeft het nu voor het zeggen? Wie heeft  nu de zeggenschap over het kind? De overheid of de ouders? Vanuit christelijk perspectief is dit niet moeilijk te beantwoorden: de ouders. Christelijk gelovige ouders ervaren het krijgen van een kind als een bijzondere zegen van God. Ze beseffen dat zo’n kind niet hun eigendom is en ermee kunnen doen wat zij willen. Maar dat ze dit in bruikleen krijgen om het te verzorgen en op te voeden tot een volwassen mens die God dient en zich dienstbaar opstelt in de samenleving.

Daarom moeten wij onze kinderen leren niet te leven voor zichzelf, maar gericht te zijn op de ander. De Ander met een hoofdletter en de ander met een kleine letter. In die volgorde.

Christenen voeden hun kinderen op tot goede burgers voor deze wereld, maar weten dat zij burgers zijn van twee werelden. Deze wereld die tijdelijk is en voorbijgaat. En de andere wereld, Gods wereld, die eeuwig is. Het verlangen van ouders, opvoeders en leraren die vanuit een Bijbels perspectief leven is, dat kinderen niet alleen wereldburgers maar ook hemelburgers mogen worden.

Christelijk leiderschap

Met dit essay rijg ik een nieuwe kraal aan het langlopende debat over het thema christelijk leiderschap. Wanneer je in een groep mensen middels een stelling laat kiezen of je nu wel niet kunt spreken van christelijke leiderschap, zijn de meningen altijd verdeeld. Ik heb ook een paar keer een groep mensen willekeurig in twee groepen verdeeld. De ene kreeg de opdracht om de stelling dat er christelijk leiderschap is te verdedigen, de ander om het tegenovergestelde te doen. Aan beide kanten komen er dan heel zinnige argumenten over tafel. Hebben christenzijn en leiderschap nu veel of weinig met elkaar te maken? Ik hield ooit ergens een verhaal met de titel: Christelijk leiderschap: gescheiden, LAT of huwelijk? Ik verdedig in dit essay het laatste. Ons christenzijn geeft een geheel eigen kleur aan je beroepsbeoefening, zeker ook bij leiders. Daarom kun je ook spreken over christelijk leiderschap

Als ik spreek over leiderschap, dan bedoel ik de praktijk van leidinggeven door leiders. Dat kunnen positionele leiders zijn, maar ook professionals waarbij leidinggeven een onderdeel is van hun werk. Veel professionals geven leiding aan collega’s zonder een formele positie als leider te hebben. In organisaties is ook een beweging gaande ‘van verticaal naar horizontaal leiderschap’. In de leiderschapsliteratuur is ‘gespreid leiderschap’ momenteel een trend, waarbij alle professionals in meerdere of mindere leiderschap moeten laten zien.

De vraag is dus of we in de praktijk van het leidinggeven kunnen spreken van christelijk leiderschap en hoe dit zich zou kunnen onderscheiden.

Ik erken dat critici van het concept christelijk leiderschap recht van spreken hebben. Veel christelijke leiders laten geen christelijk leiderschap zien. En er zijn veel niet christelijke leiders die op een manier leiding geven die je christelijk zou kunnen noemen, vanwege hun integriteit, hun gerichtheid op waarden en hun dienstbare houding.

Weinig christelijke leiders kunnen goed aangeven wat het specifiek christelijke is aan hun manier van leiding geven. En als ze alleen aangeven dat een christelijke leider integer en betrouwbaar is, kun je de vraag stellen of anderen dat dan niet zijn. Dit te beweren komt voor niet christelijk leiders zelfs hoogmoedig over, alsof alleen christelijke leiders het patent zouden hebben op het handelen vanuit deze christelijke waarden.

Er zijn ook legio christelijke leiders die weinig of niets van hun christen-zijn in de dagelijks leiderschapspraktijk laten zien, zondag en werkdag van elkaar scheiden, in twee werelden leven.

Toch zou ik wel van christelijk leiderschap willen spreken. Ik denk zelfs dat we veel kunnen winnen door ons christen-zijn bewust aan ons leiderschap te verbinden.

Godsdienst en het gewone leven

‘Ware godsdienst is niet iets wat alleen op het leven na dit leven is gericht, maar heeft net zoveel met déze wereld te maken als met de toekomende’, zegt Spurgeon in een preek over ‘Uw goddelijk beroep’. Godsvrucht bereidt ons voor op het leven dat volgt, maar vormt ook ons leven nú, in déze wereld. Geloof wordt beoefend in het heden en heeft invloed op de manier waarop we ons beroep uitoefenen.

Op welke manier beïnvloedt het leven als een christen, het geloof en de praktijk van de godzaligheid de praktijk van leidinggeven? Ik die vraag beantwoorden door vooral te kijken naar de leider zelf. Niet naar de organisatie of de mensen, maar naar de leider zelf, naar zijn persoon. Hij moet leiding geven vanuit zijn persoonlijke waarden. Het gaat niet zozeer om charisma waardoor de leider mensen in beweging krijgt, maar de waarden die hij wil realiseren moeten de drijfveer vormen van goed en christelijk leiderschap. De leider geeft vorm en inhoud aan zijn leiderschap vanuit een doorleefde mens- en levensvisie. Natuurlijk gebruikt de christelijke leider verschillende inzichten en instrumenten,  maar die van het realiseren van de waarden. Dat vraagt om kleur bekennen, keuzes maken, leiding geven aan jezelf en jezelf ook kritisch beschouwen, bewust worden van wat je drijft, wie je werkelijk bent en waar het je echt om gaat. En de vertaling van dit alles naar je gedrag als leider. Wie je ten diepste bent, waar je voor wilt gaan, dat zijn de onderleggers voor je handelen in de praktijk van het leidinggeven. Je werkt vanuit de diepere lagen onder je bestaan. Daarnaast beschikt de waarden-gedreven leider over instrumentarium, inzichten, vuistregels en werkwijzen die bij elke leider in de gereedschapskist zitten, maar hij werkt vooral van binnen naar buiten. Hij laat zich niet in de eerste plaats leiden door stakeholders, winstcijfers, prestaties of wat mensen van hem vinden. Maar door waarden die niet inwisselbaar zijn.

De persoon van de leider

Wat maakt het gedrag van een leider tot leiderschap? Naar mijn idee is dat de persoon van de leider. Bij goed en invloedrijk leiderschap maakt de persoon van de leider het verschil. En de persoon van de leider heeft alles te maken met zijn hart, zijn missie en passie, zijn drijfveren, zijn persoonlijke waarden en normen, die samenhangen met zijn wereldbeeld en levensbeschouwing. En daarom doet christen-zijn er toe in leiderschap. Een christelijke leider ziet zijn werk als zijn roeping in deze wereld. Hij heeft geen job waar hij zijn salaris mee verdient. Maar een taak die God Hem gaf in Zijn koninkrijk.

Luther heeft de Westerse christelijk kerk verlost van het idee dat alleen werken in de kerk werk in Gods koninkrijk is. Ons werk is ons beroep heeft hij gezegd, daarin klinkt het woord roeping door. De  roeping om in je werk het beeld van God tot uitdrukking te brengen en onze opdracht om te bouwen en te bewaren te gehoorzamen. Door onze ongehoorzaamheid hebben we die roeping totaal verloren, er zijn alleen nog wat scherfjes van overgebleven. Daarom is er iets anders nodig voor een christelijk leider. Dat hij geleid wordt door Gods geest en genade. Keller zegt het zo: ‘Je bent pas klaar voor de rol van leider, wanneer je slaaf van Christus mag worden’. Dan mogen we leiden door te dienen, in  navolging, volharding en zelfverloochening. Het geheim van de kunst van christelijk leiderschap is dat de leider zelf ook geleid moet worden. En dat kan alleen door het onverdiende genadewerk van Jezus Christus.

Er zijn veel goede leiders die geen christen zijn. Soms zal een christelijke leider ook hetzelfde doen als een niet christelijke leider, maar dan  ís dat nog niet hetzelfde. Wanneer je ernaar kijkt vanuit een reductionistisch mensbeeld let je vooral op het gedrag en de impact daarvan. En dan lijkt het hetzelfde. Kijk je vanuit een Bijbels mensbeeld, dan gaat het vooral om wat er onder en achter dat gedrag zit, ons hart waaruit alle uitgangen van ons leven zijn. Daar maakt een christelijke leider het verschil. In het hart.

Veel hebben of iemand zijn.

Salomo besefte dat diep toen hij bij de aanvang van zijn regering bad om ‘een verstandig, en opmerkzaam hart; om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad’. Dat is een hart afgestemd op de Heere God en op Zijn Woord en wil. We weten dat we met zo’n hart niet geboren worden. Daarom moet  het  dagelijks gebed van een christelijke leider zijn:

‘Heere, geef mij een hart dat afgestemd is op Uw wil, Uw geboden en leer me in mijn werk het goede te doen en het kwade te haten’.

Dat zou je de basishouding van een christelijke leider kunnen noemen: afhankelijkheid. Dan ben je iemand die het zelf niet kan en daar diep van overtuigd is en elke dag weer in afhankelijkheid van de Heere God zijn werk begint. Salomo vroeg niet om iets te hebben, maar hij vraagt om iemand te zijn. Niet wat je kunt of doet of hebt, maar wie je bent maakt het verschil. En wie je bent heeft alles te maken met waaruit en waartoe je leeft.

Dat is de bron van wat je in de praktijk van het leidinggeven laat zien. Zo’n houding, voortkomend uit een wijs hart, heb je nodig in de dagelijkse leiderschapspraktijk. Dat zal afstralen op je werk en uitstralen naar degenen aan wie je leiding geeft. En wie je bent heeft alles te maken met waaruit en waartoe je leeft. Dat is de bron van wat je in de praktijk van het leidinggeven laat zien.

Normatieve praktijk

Er is nog een belangrijke reden waarom christelijke leiders hun levensbeschouwing in hun beroep moeten inbrengen. De beroepspraktijk waarin de leider acteert is niet neutraal, maar dat is een  normatieve praktijk.  De beroepspraktijk is normatief geladen, kent waarden, normen, regels, die het handelen van de professional sturen. Naast kennis en vaardigheden die de professional moet beheersen, moet hij zich ook van de normatieve aspecten van zijn praktijk bewust zijn. Hij moet weten waar het nu eigenlijk om gaat, waarom hij dingen doet en op welke manier zijn eigen waarden zich verhouden tot wat in zijn beroep wordt gevraagd. Die persoonlijke waarden zullen mee bepalen hoe het werk wordt gedaan. De mate waarin dat kan is per beroepspraktijk verschillend en hangt samen met de handelingsvrijheid die de professional krijgt. Een accountant heeft weinig handelingsvrijheid. Zijn werk wordt grotendeels bepaald wetten en regels, door voorschriften vanuit de eigen accountantsbranche, de specifieke aanwijzingen van inspecties of ministeries. Schoolleiders hebben een veel grotere handelingsvrijheid. Er is geen wet die voorschrijft hoe je leiding moet geven aan een team, een vergadering moet leiden, een verandering op gang moet brengen, een functioneringsgesprek moet voeren. Christelijke leiders moeten zich bewust zijn van hun eigen kernwaarden, die ook voor zichzelf formuleren en hoe deze samenhangen met Bijbelse waarden en verbonden worden aan de praktijk.

Schoolleiderschap is waarden-vol

Mijn derde argument om christen-zijn en leiding geven dicht bij elkaar te brengen heeft te maken met en bijzondere ontwikkeling in de manier waarop beroepen worden vormgegeven. Sinds de 70-er jaren trad er een sterke de-personalisering van beroepen op. De nadruk kwam meer op protocollen, controle, objectiviteit, beleid en verantwoording te liggen. Dat maakte de speelruimte voor de professional niet alleen kleiner, maar deed ook afbreuk aan de persoonlijke motivatie en de morele betekenis die het beroep had. Dit tij lijkt zich te keren. Allerwegen is er aandacht voor beroepsethiek en waarden in het werk. Na een periode van sterk resultaatgericht denken en  een technisch-instrumentele aanpak, gaat het gesprek in het onderwijs bijvoorbeeld, nu weer volop over Bildung en persoonsvorming. En in dit gesprek hebben christelijke leiders een voorsprong. Immers zij kunnen putten uit oude en jongere christelijke bronnen die helpen om dit soort vragen te duiden. Juist voor christelijke schoolleiders liggen hier kansen. In onderwijs  gaat het om doelen, richting, , ontwikkelen, toerusten en voorbereiden op de toekomst. Daar mag je als schoolleider vanuit je christelijke wereldbeeld en Bijbelse waarden mede richting aan geven. Ook hier is het nodig om de te kiezen richting  te expliciteren, te overdenken en daarop te studeren om niet meegezogen te worden in de moderne onderwijshypes. En zo te bewaken wat waardevol is in de ontwikkeling van onze leerlingen. Dat vraagt studie, morele moed en het ontwikkelen van een moreel kompas. Richtingsbesef ontwikkelen door reflectie, dialoog, jezelf laten corrigeren en blijven leren.

Door het bij elkaar brengen en houden van christen-zijn en leidinggeven, kunnen christelijke leiders een unieke en onderscheidende bijdrage leveren. Een bijdrage waar juist, in deze tijd meer aandacht en ruimte voor is, omdat ze raakt aan de grote vragen in onze maatschappij en er veel verlegenheid is in het zoeken van de antwoorden daarop.  Christelijke leiders kunnen vanuit hun morele kompas richting wijzen, niet betweterig, maar dienend en liefdevol, wetend dat hun werk zin heeft en zin geeft.

Dit essay is verschenen in De Reformatorisch School, september 2017.