Lang Leve de 100 jarige

Lang Leve de 100-jarige

Themadag Pabo Driestar educatief 3 oktober 2017 rondom de viering Vrijheid van Onderwijs

L.N. Rottier

St Jan Gouda – Themadag PABO 171003

 

 

Een driedubbele felicitatie

Graag wil ik beginnen met het uitspreken van een driedubbele felicitatie.

*

Ik feliciteer Nederland met het onderwijsbestel waarin naast openbare scholen ook bijzondere scholen bekostigd worden door de staat.

De belastingen die wij betalen, waarvan een fors deel naar onderwijs gaat, komen zo ten goede aan alle bevolkingsgroepen in Nederland.

100 jaar geleden, in 1917, is dat door onze toenmalige regering en parlement besloten. De pacificatie noemen we dat, de financiële gelijkstelling. Vrijheid van Onderwijs was er al sinds de grondwet van 1848, maar financiële gelijkstelling is van 1917. Dat was een belangrijk moment in onze politieke geschiedenis. Daar hebben we als Nederland laten zien dat we met elkaar willen samenleven in een verdeeld land. Dat we ieders eigenheid willen accepteren en ruimte willen bieden aan verschil. Die pacificatie kun je zien als een waarborg voor minderheden en een toonbeeld van tolerantie.

*

Ik feliciteer het christelijk onderwijs in ons land. Regelmatig hebben we bij Driestar hogeschool onderwijsmensen uit andere landen over de vloer. Vol trots vertel ik hen elke keer weer over de unieke situatie, dat wij als christelijke hogeschool en al die andere christelijke scholen volledige subsidie van de overheid ontvangen. Dat is uniek. In de ogen van zulke gasten, meestal werkzaam in niet gesubsidieerde  christelijke scholen is dat een soort paradijs.

*

En ik feliciteer jullie, studenten van Driestar hogeschool. Jullie maken gebruik van het recht om een bijzondere school te bezoeken. Je wilt opgeleid worden tot leraar en gaat waarschijnlijk later op een bijzondere school werken. Dank God dat dit in ons land mogelijk is. Werk hard om een goede, christelijke leraar te worden. En wees gemotiveerd om je in te zetten voor het onderhouden en doorontwikkelingen van onze scholen. En voel je vooral geroepen om een bijdrage te mogen leveren aan de vorming van  de komende generatie, kinderen, jongeren, christenen, burgers van Nederland en naar we hopen toekomstige leden van de christelijke kerken.

*

Dat wij kinderen en jongeren mogen vormen in de lijn van de eigen religieuze overtuiging en ons geloof is wat ons betreft de grote zegen van de onderwijsvrijheid.

Ik noem dit de pedagogische meerwaarde van de vrijheid van onderwijs.

Hier zal ik eerst iets over zeggen.

Daarna ga ik in op kritiek vanuit politiek en samenleving op de onderwijsvrijheid en m.n. ook op ons type scholen.

En ik sluit af met twee belangrijke vragen die onder de discussie van onderwijsvrijheid liggen en waar we steeds meer mee in aanraking en ook botsing zullen komen.

 

De pedagogische meerwaarde van de onderwijsvrijheid.

Het christelijke geloof en het christelijke denken is niet los verkrijgbaar. Je kunt niet een uurtje in de week een les geven in christelijk denken en dan aan het eind een tentamen en daarmee je punten gehaald hebben en zo een christelijke leraar worden.

Leven als een christen is een geïntegreerd leven. Als het goed is ben je als christen een man of vrouw uit één stuk, integer, je belijdt een christen te zijn en dat is zichtbaar in je leven.

Dat is ook wat christelijke ouders en christelijke leraren op het oog hebben in de opvoeding, het onderwijs, de vorming van kinderen en jongeren. Dat het volwassen mensen worden die zich verbonden weten met Christus en als christen leven, denken en handelen.

Christenzijn heeft met je héle leven te maken.

En het heeft állereerst met God te maken, de God van de Bijbel die zich bekend maakt als Vader, Zoon en Heilige Geest. De Schepper en de Onderhouder van ons leven.

Hij is het centrum van het christenleven. We kunnen alleen maar christen zijn als we met Hem een relatie hebben, een relatie van geloof en liefde. Die relatie is het belangrijkst en kleurt ons leven. Dan willen we voor Hem leven, voelen we ons afhankelijk van Hem en willen Hem ook volgen en gehoorzamen.

Dat bedoel ik met: leven als een christen is een geïntegreerd leven.

Hoe word je zo’n christen? Jullie eerste antwoord zal waarschijnlijk zijn: door wedergeboorte en bekering. Dat is een belangrijk Bijbels en reformatorisch principe. De verlossing komt niet bij ons vandaan, maar van de andere kant, van God zelf. Maar daarbij worden mensen ingeschakeld. God werkt door mensen, door vaders en moeders, door meesters en juffen. De opvoeders en onderwijzers zijn de handen van God waarmee Hij werkt in de levens van kinderen en jongeren. Koelman zei: opvoeders zijn medewerkers van God.

In Afrika kennen ze een spreekwoord: It takes a village to raise a child. Om kinderen op te voeden heb je een heel dorp nodig. Een gemeenschap. Een groep mensen die iets met elkaar heeft, die een gezamenlijke cultuur ontwikkelde, waarden deelt. Zo is het ook haast onmogelijk om in je uppie christen te zijn of je als christen te ontwikkelen, dat gebeurt vooral in een gemeenschap, waarin mensen zijn die waarden voorleven en doorgeven. Een gemeenschap die uitlegt, stimuleert, voorgaat, bemoedigt. En zo worden kinderen gevormd. Eerst door ouders en daarnaast ook door de gemeenschap. Het belang van de Bijbel en het omgaan met de Bijbel leren kinderen doordat ouders en andere laten zien wat dit voor hen zelf betekent.

Na gezin en familie is de school zo’n gemeenschap. Een pedagogische gemeenschap die onderwijst en opvoedt in het verlengde van wat ouders voorstaan. In de gemeenschap van een christelijke school gebeurt dit door het hanteren van de Bijbel, de inhoud van de vakken, christelijke praktijken als bidden, zingen, maar vooral ook doordat daar mensen werken die die waarden voorleven.

Dat is waarom wij zo blij zijn met de onderwijsvrijheid. Dat school, gezin en ook kerk één gemeenschap vormen, die kinderen op een christelijke wijze vormt en toerust voor en plek in de samenleving.

Wij prijzen ons gelukkig te leven in een land waar ouders een school kunnen kiezen die past bij de opvoeding thuis.

Kritiek op VVO

Ik wil in het tweede deel van mijn verhaal luisteren naar de kritiek vanuit politiek en samenleving van mensen die niet zoveel of helemaal niets hebben met de VVO.

Drie kritiek richt zich op drie punten: 1. Indoctrinatie. 2. Segregatie. 3. Toegankelijkheid.

1 Indoctrinatie

Een deel van de tegenstanders zegt:’ De religieuze school indoctrineert en dat is buitengewoon slecht voor onze samenleving’.

Laten bijvoorbeeld even naar Aleid Truyens columniste van de Volkskrant. Het citaat komt uit een ouder stuk maar is nog steeds relevant.

God heeft op school niets te zoeken. Het is in strijd met de scheiding tussen Kerk en Staat dat de overheid religieuze scholen bekostigt. En’, zo gaat ze verder, ‘Kinderen moeten worden beschermd tegen gevaarlijke lariekoek. Dat vrouwen minderwaardige wezens zijn bijvoorbeeld. Dat homoseksualiteit een enge ziekte is. Op scholen moeten kinderen hun hoofdoekjes, keppeltjes en Bijbels bij de kapstok achterlaten. Een school waar mensen van alle gezindten werken, die kinderen leren welke opvattingen en geloofsrichtingen er zoal in de wereld bestaan – wat een walhalla zou dat zijn zo’n school. God, mocht Hij bestaan, heeft alle kindertjes even lief en heeft hen uitgerust met een verstand en een vrije wil. Het is aan ons om ze dat verstand te laten ontwikkelen, zodat ze zelf kunnen kiezen.’ (De Volkskrant 09-09-25).

Zij en vele liberale vrijheidsdenkers verafschuwen het feit dat de overheid scholen bekostigt, waarin kinderen in hun ogen geïndoctrineerd worden.

Vorige week schreef Rosa van Gool in de Volkskrant:

‘Het voornaamste bezwaar, vooral tegen orthodoxe scholen, is de indoctrinatie van kinderen: leraren zwijgen de evolutietheorie dood of betogen zelfs dat evolutie net zo goed een geloof is’ (..)

‘School moet kinderen juist de kans geven om nieuwe dingen te horen, tot nieuwe inzichten te komen, om een zelfdenkend individu te worden. Om met Lubach te spreken: ‘School is dé plek om erachter te komen dat je ouders gek zijn.’

Hoe kunnen we op deze kritiek reageren?

Het gesprek aan gaan, argumenten daar tegenover zetten en ook hen uitnodigen op je eigen school. Dat laatste helpt soms om hardnekkige en soms bizarre beeldvorming bij te stellen.

Er is ook geen enkel bewijs dat kinderen die in een homogene gemeenschap worden opgevoed en onderwezen het in de praktijk van leven slecht zouden doen. Eerder het tegendeel is waar. Als vorming van kinderen op een eerlijke en goede manier plaatsvindt, kunnen zij vanuit die veiligheid juist uitstekend kennismaken met andere culturen en ideeën zonder daar direct een oordeel over te hebben wat ontmoeting in de weg staat. Een christelijke school is ook gericht op de wereld waarin we leven en moet kinderen daarmee in aanraking brengen.

Kees v.d. Staaij zei in de documentaire ‘Toen was geloof heel gewoon’: ‘Ik ben gevormd in de zuil en sta in de wereld.’ Hij is denk ik het levende bewijs van iemand die in een reformatorische context is opgevoed, maar het zeer goed doet als Tweede Kamer lid enis in staat is om goede gesprekken te voeren aan de tafels van de Pauwen en Jineks in ons medialandschap.

Er is niks mis met een opvoedingsmilieu dat veel cohesie vertoont. Integendeel. Kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid. Stabiele gezinnen, met vader en een moeder die van elkaar houden en elkaar trouw zijn, die een duidelijk en prettig klimaat scheppen in hun gezin en die aan die kinderen waarden  meegeven die koers geeft aan hun leven, ‘leveren’ nuttige en ijverige leden van onze maatschappij.

Er is nog een enorme misvatting in het spel bij deze kritiek. Het keppeltje aan de kapstok hangen als je de school binnenkomt, dat kan niet. Iedereen weet dat dit bij een deel van de Joodse gelovigen echt bij het leven uit de Thora hoort. Godsdienst is niet los verkrijgbaar.

En kinderen laten kiezen nadat ze in alle godsdiensten onderwezen zijn, veronderstelt dat je als opvoerder neutraal kunt zijn en belangeloos alle mogelijkheden voor het kind neerlegt en het kind dan in opperste vrijheid kan kiezen. Daar is veel tegenin te brengen, mensen zijn veel minder vrij dan ze denken en neutraal opvoeden is onmogelijk. Aleid Truijens heeft ook een mening en die steekt ze niet onder stoelen of banken, zij kiest voor een gemengde, niet religieuze school. Zo wil zij kinderen opvoeden. Dit zou je ook een geloof kunnen noemen.

Helaas zijn er op dit punt misstanden in religieuze scholen. Die moeten worden aangepakt. Dat gebeurt ook, door de onderwijsinspectie. Maar we moeten niet van de weersomstuit vanwege een paar malcontenten een heel onderwijsbestel dat zich al 100 jaar heeft bewezen onderuit gaan halen. Dat lijkt me een buitengewoon domme zet. En is aantoonbaar in tegenstrijd met at in 1917 besloten is: diversiteit werd toen niet ontkend maar geïnstitutionaliseerd.

2 Segregatie

Op de vraag hoe het gaat geven we als Nederlandse bevolking het antwoord: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht.’ Daarmee bedoelen we: Het gaat niet zo goed in onze samenleving. De tegenstellingen nemen toe, de kloof tussen arm en rijk groeit. Dat levert in toenemende mate spanning op.

Er zijn mensen die de VVO aanwijzen als een van de oorzaken hiervan.

Op de nieuwssite van NPO 1 verscheen vorige week een column van journaliste Phaedra Werkhoven met de titel: ‘Weg met die idiote verzuilde scholen.’

Kinderen sorteren naar verschillende scholen werkt segregatie in de hand. Onze samenleving is een pluriforme samenleving, kinderen  moeten van jongsaf leren in die samenleving participeren en leren omgaan met verschillen.

Daarom’, zegt mevrouw Werkhoven, ‘pleit ik al tijden voor gemixte scholen. Voor appeltaart en baklava in de les, van Suikerfeest en kerstmis, alle niveaus bij elkaar, alles kunnen zeggen. Weg met die idiote verzuilde scholen. Ik wil schoolpleinen waar alle ouders staan, waar iedereen Nederlands spreekt en alle kinderen met elkaar willen spelen. Het lijkt een utopie, en noem me naïef, maar daar, bij onze kinderen, ligt wel het daadwerkelijke begin van de oplossing.’

Het lijkt eenvoudig, maar dat is het niet. Tegenstellingen in de samenleving zijn niet zomaar een op een aan te wijzen als het effect van de VVO. Huisvestingsbeleid in een stad b.v. heeft veel meer invloed of burgers zich wel of niet mengen. Als je wijken maakt met voor alle inkomensklassen betaalbare woningen, dus koop en huur door elkaar, ontstaat er ook een gemengde wijk.

Dat er een probleem is in onze samenleving met het omgaan met verschillen is evident, dat moeten we ons ook aantrekken, maar afschaffen van de onderwijsvrijheid lost dit niet op. En op heel veel bijzondere scholen is de leerlingenpopulatie heel divers.

Tijs van de Brink reageerde de volgende dag op dezelfde site als volgt:

Nou heb ik goed nieuws voor Werkhoven: die scholen bestaan. En ze heten bijzondere scholen. Maar liefst 60 (!) procent van alle leerlingen met een niet-Nederlandse achtergrond gaat naar een bijzondere school, waar uiteraard ook relatief meer protestantse en katholieke leerlingen zitten. Ik zal niet zeggen dat op de ‘bijzondere schoolpleinen’ alle ouders staan, maar daar staat absoluut een gemêleerd gezelschap.’

De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat dit klopt voor een groot deel van de bijzondere scholen. Op reformatorisch scholen is de populatie niet representatief voor de Nederlandse samenleving. Dat hoeft ook niet, maar het is voor ons daarom wel een belangrijke taak om kinderen respect aan te leren voor dat meisje met die hoofddoek, het allochtone gezin in de straat en die neef die D66 stemt. Je hoeft niet naast elkaar in de klas te zitten om respect te leren voor de ander.

3 .Toegankelijkheid

Het feit dat bijzondere scholen een eigen toelatings- en benoemingsbeleid mogen hanteren, geënt op de levensbeschouwelijke grondslag van de school, roept veel kritiek op die soms ook een zware emotionele lading krijgt.

Femke Halsema zei ooit:

De vrijheid van onderwijs zal ik altijd verdedigen. Die vrijheid behelst wat mij betreft het recht van ouders om een school te stichten overeenkomst hun levenswijze, maar niet het recht van schoolbesturen om leerlingen of leraren te weigeren. Scholen die dat toch doen, plaatsen het grondrecht waarop ze zijn gebouwd in een kwade reuk.’

Tja hier zit een opvatting achter als zou de VVO betekenen dat ouders het recht hebben om op elke school in NL hun kind in te schrijven. M.i. is dat niet de betekenis van onderwijsvrijheid.

Onderwijsvrijheid geeft ouders het recht om eigen school te stichten en  daar zelf regels te stellen aan de richting en de inrichting van het onderwijs, het personeelsbeleid en het toelatingsbeleid. Dit alles binnen de grenzen van de wet vanzelf. Die ruimte van ouders noemen we onderwijsvrijheid. Dat dit door de overheid bekostigd is billijk. Deze burgers betalen evenveel belasting als alle anderen.

Overigens geldt dit maar voor kleine groep scholen meeste voor iedereen toegankelijk.

Tot slot

Er zijn twee dieperliggende vragen die onder bovengenoemde discussies liggen.

1 Hoe zie je burgerschap?

De school moet een bijdrage leveren aan het ontwikkelen van burgerschap van jongeren. Immers zij moeten leren om in de samenleving op een goede manier te participeren. Dat onderschrijf ik voor 100% en hier een bijdrage aan leveren moet van elke school gevraagd worden.

Maar onder de propaganda voor burgerschap schuilt ook een drang scholen te laten aanpassen aan de waarden en normen en ideologie van onze moderne Westerse samenleving.

Daar wringt de schoen. Orthodoxe christenen en hun scholen willen zich  juist niet aanpassen aan deze wereld en wat de goe-gemeente denkt en zegt. Staat kritisch in deze wereld. En wil zich vooral laten gezeggen door wat God in Zijn Woord van ons vraagt. Dat roept dus per definitie aversie op, bij mensen die vinden dat de seculiere waarden niet alleen onderwezen, maar ook gedeeld moeten worden door alle leerlingen en studenten op publiek gefinancierde scholen.

Het gaat hier om een onderliggende strijd van de seculieren om geloof uit het publieke domein te verwijderen. Die strijd neemt gevaarlijke vormen aan. De seculiere meerderheid lijkt een orthodoxe minderheid niet meer de ruimte te gunnen om in het publieke domein of in eigen kring te leven en denken zoals zij wenst. Er is een toenemende meerderheidsdwang zichtbaar tegen minderheden.  Dit is in flagrante tegenstelling tot de basiswaarden van ons democratisch bestel. ‘Een democratie representeert niet de eenheid van een volk, maar juist haar verscheidenheid’, schreef iemand. De democratie gaat dan ook over de bescherming van minderheden. Het omgekeerde worden we gewaar. Er is een meerderheidscultuur aan het ontstaan, liberaal, seculier en blank. Deze lijkt haar macht te gaan misbruiken door de staat te laten ingrijpen haar waarden aan de rest van de samenleving op te leggen. De ruimte voor verschil kalft af.

 

2 Van wie is het kind?

De tweede fundamentele vraag die onder de discussie ligt is: Wie heeft het nu voor het zeggen? Wie heeft  nu de zeggenschap over het kind? De overheid of de ouders? Vanuit christelijk perspectief is dit niet moeilijk te beantwoorden: de ouders. Christelijk gelovige ouders ervaren het krijgen van een kind als een bijzondere zegen van God. Ze beseffen dat zo’n kind niet hun eigendom is en ermee kunnen doen wat zij willen. Maar dat ze dit in bruikleen krijgen om het te verzorgen en op te voeden tot een volwassen mens die God dient en zich dienstbaar opstelt in de samenleving.

Daarom moeten wij onze kinderen leren niet te leven voor zichzelf, maar gericht te zijn op de ander. De Ander met een hoofdletter en de ander met een kleine letter. In die volgorde.

Christenen voeden hun kinderen op tot goede burgers voor deze wereld, maar weten dat zij burgers zijn van twee werelden. Deze wereld die tijdelijk is en voorbijgaat. En de andere wereld, Gods wereld, die eeuwig is. Het verlangen van ouders, opvoeders en leraren die vanuit een Bijbels perspectief leven is, dat kinderen niet alleen wereldburgers maar ook hemelburgers mogen worden.

Excellente schoolleiders

luc grevenNa zijn directeurschap van het Seminarium voor Orthopedagogiek, houdt Luc Greven zich nu bezig met het geven van masterclasses, lezingen en advies op het gebied van schoolleiderschap. In het najaar bezocht ik een workshop van hem over dit laatste onderwerp: schoolleiderschap. Hij vertelde steeds meer overtuigd te zijn geraakt van het belang van de schoolleider. En hij wil graag de laatste jaren van zijn werkzame leven besteden aan het verbeteren hiervan.

In de workshop deed hij verslag van zijn zoektocht naar de essenties van excellente schoolleiders. Hij vatte ze samen in 9 essenties. Ik heb toen aantekeningen gemaakt die ik hieronder verwerk. Ondertussen heeft hij de opbrengst van zijn onderzoek opgeschreven in een boek.

De negen principes van de excellente schoolleider, volgens Luc Greven.

 Attitude

1. Passie voor onderwijs. Een excellente leider heeft veel passie voor onderwijs en dat werkt aanstekelijk.
2. Wind zaaien en er staan. Zij veranderen niet al te planmatig, maar doen dat vooral in actie. Zij stimuleren de mensen op dagelijkse basis, participeren in de school en komen ook zelf in de klassen.
3. Positieve grondhouding. Schoolleiders die excellent zijn zien kansen, benutten die, houden de moed erin, bieden uitzicht, ook op momenten dat het niet goed gaat.

Strategie 

4. Vitale visie. Goede schoolleiders hebben een visie, die delen ze met anderen en ze communiceren er vaak over. Die visie geeft richting aan de school en richt de aandacht van de mensen binnen de school op de dingen die er toe doen.
5. Werken aan een topteam. Leraren worden niet opgeleid om teamlid te zijn. Het hoogst bereikbare als leraar is zelfstandig een klas runnen. Excellente leiders werken aan teamvorming, participeren daarin, zoeken de mensen op, ook in de klassen en zorgen ervoor dat leraren niet in een isolement hun werk doen. Ze stimuleren om voortdurend in ontwikkeling te zijn.
6. Ruimte geven. Een goede visie ontwikkelen geeft ruimte, inzetten op de teamontwikkeling geeft verander-moed en -kracht en als dat zichtbaar wordt, geven goede leiders vooral ruimte.

Dagelijks handelen
7. Visie vertalen naar gedrag. Actie zonder visie is tijdsverspilling. Visie zonder actie wordt dromen. Visie en actie is veranderen. Excellente schoolleiders hebben beiden in zich, ze kunnen een visie ontwikkelen, maar deze ook vertalen naar het gedrag.
8. Stimuleren van professioneel gedrag. Aanspreken, ook bemoedigend. Het gaat boek luc grevenerom dat we met elkaar in de school professioneel gedrag laten zien. Dit wordt sterk bevorderd door daar mensen op aan te spreken, maar ook te bemoedigen en te versterken daar waar het zichtbaar wordt. Wat je aandacht geeft groeit.
9. Er zijn. To do: BE. Als leider moet je er gewoon zijn. Minder achter het bureau en de computer en meer in de school, de klas, de teamkamer. Present zijn.

Zoals gezegd, ondertussen heeft hij hier een boek over geschreven. Ik heb het nog niet gelezen, wel besteld.

 

Chinese leraren voor een Engelse klas

Drie keer was ik in China. Twee van die drie keer heb ik een aantal dagen lesgegeven. De ene keer aan een groot team van een school. De andere keer aan een klas op een Teacher Training College (TTC). Dat waren voor mij en voor de studenten bijzondere ervaringen. Onze westerse manier van lesgeven is totaal verschillend van wat Chinese leraren laten zien. Zo was het voor het team de eerste keer in hun leven dat ze in kleine groepen werden verdeeld en met elkaar het gesprek moesten aangaan over een door hen ingebrachte casus. En voor de TTC studenten was het totaal nieuw dat ze de aangereikte theorie zelf moesten toepassen in het ontwerpen van een les, die ze vervolgens aan elkaar gaven en waarop we daarna met elkaar reflecteerden.

In Engeland gebeurde pas het omgekeerde. Een aantal Chinese docenten kwamen naar de Bohunt School in Liphook. Vijftig leerlingen van deze school vormden een klas en kregen 4 weken achter elkaar les van deze docenten. En dat gebeurde in Chinese stijl: in uniform, ’s morgens om 7.00 uur beginnen, één keer in de week hijsen van de vlag, 10 uur per dag op school voor het volgen van heel veel lessen die vooral bestaan uit luisteren en noteren wat de leraar zegt. De leerlingen moesten het eigen lokaal schoonhouden en nuttigden twee maaltijden per dag op school.

bbc 1

De leiding van de Bohunt School wilde weten of de Chinese onderwijsstijl, die Chinese leerlingen tot hoge prestaties brengt, ook werkt in de Britse context. Ze maakten er een echt experiment van. Om te kunnen vergelijken, formeerden ze ook een andere groep, met eigen docenten, die dezelfde stof behandelden. Na vier weken zouden beiden groepen getoetst worden om de resultaten te kunnen vergelijken.

Dit experiment werd door de BBC gefilmd en uitgezonden onder de titel ‘Are our kids tough enough?’

Het resultaat is buitengewoon boeiend om naar te kijken. Een paar voor mij opvallende punten:

  • Chinese leraren hebben nooit gehoord van en dus ook niet geleerd en geoefend in klassenmanagement. Om de eenvoudige reden dat dat in China niet nodig is. De klas zit, luistert en schrijft op wat de leraar zegt en spreekt alleen als de leraar de leerling hiertoe uitnodigt. En dit is het punt waarop ze onderuit gaan. Engelse leerlingen zijn mondig, gaan met leraren in discussie, doen soms hun eigen zin. Dit frustreert de Chinese docenten. En zo groeit er binnen enkele dagen een enorme cultuurbotsing tussen deze docenten en hun klas.
  • Het is ontstellend om te zien wat er met deze groep leerlingen gebeurt. Ze gaan gedrag vertonen, wat zij nooit vertoond hebben. Zij vervelen zich enorm, de manier van lesgeven raakt hen niet, ze begrijpen de stof niet, terwijl de leraar gewoon doorgaat. Alles is klassikaal, in een hoog tempo, maar de leraren hebben niet in de gaten dat ze de klas totaal kwijtraken. Op een bepaald moment gaat de leiding van de school zich ermee bemoeien, probeert de orde te herstellen, maar met weinig resultaat.
  • Je krijgt gaandeweg steeds meer te doen met deze leraren. Het is aandoenlijk om te zien hoe ze in hun eigen patroon blijven acteren en denken daarmee de klas in het gareel te krijgen. Terwijl de meeste leerlingen steeds meer afhaken.
  • Een bijzonder cultureel verschil komt ook aan het licht in de manier waarop de leraren hun problemen ervaren. Wij zouden totaal gedeprimeerd worden, onszelf voelen falen, en van schaamte en woede het bijltje erbij neergooien. Maar zij houden vol. Niet om persoonlijk gewin, maar om hun land hoog te houden. Als dit niet lukt gaan zijzelf niet af, maar gaat China af en dat houdt hen op de been. De culturele waarde in Aziatische landen is vooral die van de gemeenschap, het collectief.
  • Een mooi moment is de ouderavond. Ouders lijken en kijken heel cynisch en sceptisch. Maar door de eerlijkheid van de Chinese leraren winnen deze toch de harten van de ouders. En als ouders meer inzicht krijgen in waarom de leraren het doen zoals ze het doen, komt er een zekere sympathie bij de ouders naar buiten.
  • Treffend zijn de beelden van de leraar wiskunde, die in zijn eigen land tot de top behoort. Je ziet hem ook bezig in zijn eigen context. Zelfbewust, adequaat, top-leraar, klassen die voor hem applaudisseren, studenten die hem roemen om zijn bekwaamheid. En hier in het westerse systeem gaat hij af. Of je goed functioneert is heel erg afhankelijk van de context. Hoe de context op jouw reageert bepaalt weer voor groot deel hoe jij je voelt en hoe je je gedraagt.

Twee delen zijn ondertussen uitgezonden. Het wachten is op de ontknoping in het derde deel. Maar via deze links kun je de eerste twee delen alvast bekijken (met dank aan Pedra de Bruyckere).

Are our kis though enough?     Deel 1         Deel 2

Terug naar onze leest – kernactiviteiten van schoolleiders

leest 1In maart verscheen er een informatief rapport van de onderwijsinspectie onder de titel ‘De kwaliteit van schoolleiders’. Hoewel geen spannende lectuur, wel informatief en een ‘must-read’ voor ieder die zich met het opleiden van schoolleiders bezighoudt. Wat mij verheugt is, dat de schoolleider weer terug gaat en moet naar zijn leest: leidinggeven aan een school en aan de kernactiviteit binnen een school, onderwijs. En dat goed leidinggeven vooral zichtbaar is in de kwaliteit van het onderwijs.

Schoolleiders in PO, SO en VO werden bekeken op de kwaliteit van hun functioneren en hoe dit al of niet samenhangt met de kwaliteit van het onderwijs op hun school, de context, de kwaliteit van het bestuur en hun draagvlak binnen de teams. Over het laatste hoeven we ons, op basis van dit rapport, het minst zorg te maken. Hoewel veel schoolleiders hier juist wel problemen ervaren, laat het rapport zien dat de meeste leraren wel redelijk tevreden zijn over hun schoolleiders.

De kwaliteit van de schoolleiders is zeker nog níet overal op orde. De  basiscompetenties voor schoolleiders zijn  door de beroepsgroep zelf geformuleerd. Slechts ongeveer 1 op de 10 scoort op alle basiscompetenties goed. Ongeveer de helft (PO), tot twee derde (VO) scoort voldoende. Hier moet dus nog een flinke stap worden gezet. Vooral omdat we hier spreken over básiscompetenties. Als schoolleiders vinden we dat dit de basis is, die dus gewoon aanwezig zou moeten zijn.

Verder blijkt dat of iemand een goede schoolleider is, niet samenhangt met de context. Als schoolleider mopperen op je team, de ouders of het bestuur, geeft dus geen pas. We zitten zelf op een plek waar we het verschil kunnen maken. Wel is er in het PO een verschil te zien tussen vrouwen en mannen: vrouwen doen het beter dan mannen. Een mogelijke verklaring kan zijn, dat  vrouwen minder snel kiezen voor de functie van schoolleider. Daar zou een selecterende werking van kunnen uitgaan. Vrouwen lijken zich ook meer te richten op de interne kant van de school en daardoor op de kwaliteit en opbrengsten dan mannen. Mannen lijken zich meer naar buiten toe te profileren. Het inspectierapport heeft vooral oog voor de interne kant.

Een ander opvallend punt is: als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs, de opbrengsten en de professionalisering van het personeel, PO het beter doet dan het VO. In het VO hebben schoolleiders relatief weinig aandacht voor het primaire proces. Zij worden erg in beslag genomen, door regels, procedures en structuren.

De grote conclusie van dit onderzoek is iets wat ik in elke bijdrage over schoolleiderschap minstens één maal zeg: leiderschap doet ertoe! Het rapport laat zien dat er een verband is tussen de kwaliteit van de schoolleiding en de kwaliteit van de lessen. Goede schoolleiders richten zich op de kernactiviteit van de school: het onderwijs. Zij hebben opvattingen over wat goed onderwijs is, ze geven aandacht aan de leskwaliteit en de opbrengsten en gaan daarover in gesprek. En daarmee doen ze ertoe. Schoolleiders hebben dus een sleutelpositie, als het gaat om de beïnvloeding van de kwaliteit van het onderwijs. Ook bestuurders hebben daarop invloed. Goed bestuur hangt samen met goed leiderschap in de school en dit hangt samen met goede onderwijskwaliteit.

Dit betekent dat schoolleiders en bestuurders vooral moeten investeren in hun eigen kwaliteit, het leren beheersen van de basiscompetenties. Dat ze zich moeten concentreren op dat wat er echt toe doet. Dat ze zich moeten richten op de onderwijskwaliteit en dat ze de professionalisering van hun team de hoogste prioriteit moeten geven.

Feitelijk is het dus allemaal niet zo moeilijk: richt je op waar het echt om gaat,  onderwijs, welbevinden, kwaliteit van het leraarschap en opbrengsten. Geef daar je aandacht aan en leest 2richt daarop je agenda in. De overheid zou schoolleiders niet teveel moeten storen met allerlei administratieve verplichtingen, regels, procedures, brieven en eisen die niet direct met het onderwijsleerproces te maken hebben. Dan kan hij/zij bij de leest blijven. En dat wordt zichtbaar in resultaten.

Ik ben blij dat we steeds meer tot het inzicht komen dat de schoolleider leiding moeten geven aan onderwijs. Het rapport geeft m.i. daar nog een tamelijk functionalistische invulling aan. Ik geloof dat er nog een paar voorwaarden van groot belang zijn. Weet een schoolleider te inspireren, is hij zelf geïnspireerd, heeft hij opvattingen over goed onderwijs, een visie die hij zo weet uit te dragen dat het schoolteam die als gezamenlijke missie gaat omarmen en zo als team verbonden raakt aan een gezamenlijk na te streven ideaal?

Pedagogisch handelen van leraren

wim-claasenWim Claasen, die vorig jaar promoveerde op het pedagogisch handelen van leraren, brengt de essentie van de professie van de leraar terug tot een aantal alledaagse deugden. Wanneer deze beoefend worden leidt dit tot praktische wijsheid bij de leraar.

De grote verdienste van dit onderzoek van Wim Claasen vind ik, dat hij de kern van het ambacht van de leraar met gewone taal uitdrukt. Geen ingewikkelde schema’s, moeilijke (Engelse) termen, maar alledaagse deugden, daar gaat het om bij goede leraren. Deugden hebben alles te maken het handelen. Een deugd is een praktische wijsheid in praktijk brengen, zodat je de goede dingen doet, op de goede manier, op het juiste moment bij de juiste persoon.

Wim Claasen heeft zijn sporen verdiend in het Speciaal Onderwijs (OSO Fontys). Voor zijn onderzoek heeft hij acht kanjers van leraren gezocht in het Speciaal Basisonderwijs. Hij heeft hun gedrag bestudeerd in de praktijk van omgaan met jongeren met sociaal-emotionele problemen. In de relatie met deze jongeren komt het er voor de leraar op aan en komen de kwaliteiten van de leraar aan het licht. Claasen observeert, beschrijft en vat de kern van het pedagogisch handelen van deze leraren samen in een vijftal alledaagse deugden.

Welke deugden praktiseren goede leraren? Of, anders gezegd: wat is de kern van het pedagogische ambacht van een goede leraar?

1. Jezelf zijn en jezelf ontwikkelen: jezelf blijven ontwikkelen en daar plezier aan beleven stimuleert de leraar om leerlingen tot ontwikkeling te brengen. Als dit lukt geeft dat de leraar weer veel vreugde en energie. Een zich zelf versterkende lus eigenlijk.

2. Aandachtig betrokken zijn: goede leraren stemmen af op de leerlingen, nemen waar, ondersteunen en bevestigen leerlingen, communiceren, leven mee, hebben belangstelling. De leerling weet zich daardoor gezien en gewaardeerd en dat is niet alleen een prettige ervaring voor hen, maar voorkomt ook veel problemen in gedrag en omgang met elkaar.

3. Evenwichtig handelen: pedagogische bekwame leraren zoeken naar balans en kenmerken zich door rust, zelfbeheersing, de juiste toon, geduld, niet impulsief reageren en kunnen interventies goed timen.

4. Spel en humor leveren een geheel eigen bijdrage aan het handelen van goede leraren. Ze sturen het gedag van de leerling op een speelse manier. Humor werkt relativerend en ontspannend.

5. Zorgvuldig oordelen : Oordeelsvorming van bekwame leraren kenmerkt zich door zorg voor de leerlingen en maatvoering. Ze oordelen ook voortdurend tijdens de tijdens de uitvoering.

Claasen pleit voor een herwaardering van de ambachtelijkheid in de professioneel handelen van de leraren. Reflectie op deze deugden moet onderdeel van de opleiding zijn. Veel oefenen en reflection-in-action is daarvoor nodig. Met drama is dit goed te realiseren. Dit moet meer in het curriculum worden ingebouwd. De deugden spelen een belangrijke rol in het pedagogisch handelen van de leraar. Zij vormen de grondslag van alle competenties.

_____________________________________________________________

n.a.v. Claasen. W. (2013). Alledaagse deugden: een andere kijk op pedagogisch handelen (van leraren) – Persoonlijke professionaliteit in beeld. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 52(2013) p. 479-496.

 

 

 

Gedragen visie op kwaliteit in instituten voor HO nodig

 

Dit artikel verscheen als opinieartikel ND 6 augustus 2013 als reactie op een artikel van artikel van Ivo Arnold over bureaucratie in het Hoger Onderwijs.

Ivo Arnold maakt een wezenlijk punt in zijn opinieartikel  ‘Nog meer bureaucratie door instellingstoets’ van vrijdag 2 augustus. Hij legt de vinger bij de steeds maar toenemende druk op instituten voor hoger onderwijs door opeenstapeling van toezichthoudende lagen. Elke laag kent een eigen regime en vraagt van scholen de kwaliteit van het functioneren inzichtelijk te maken en vast te leggen. Dit veroorzaakt veel bureaucratie, papierwerk en als we niet oppassen een schijnwereld,  die zich ver van de werkvloer bevindt.

De oorzaak is, een zich steeds weer herhalend patroon van overkill aan maatregelen, wanneer er zich ergens een probleem voordoet. Daarbij komt dat er geen onderscheid wordt gemaakt. Ieder wordt over dezelfde kam geschoren. Ook al heb je nooit een kwaliteitsprobleem gehad, je valt toch onder hetzelfde regime. Ooit opperde Den Haag iets als proportioneel toezicht, maar daar lijkt het nog maar moeilijk van te komen.  Een illustratie hiervan is de Governance-brief van minister Bussemaker, die een reactie vormt  op bestuurlijke problemen in onderwijsinstellingen, onder andere  bij Amarantis. De rapporten over dit debacle zijn het over één ding eens: Bestuur en toezicht hebben gefaald. Het antwoord is een brief van 21 (!) pagina’s waarin voor alle hogescholen en universiteiten een scala aan nieuwe maatregelen wordt afgekondigd. Wanneer je als bestuurder een dergelijke brief tot je neemt, voelt het alsof er een loden deken op je schouders wordt gelegd. Je hebt ook het idee per definitie gewantrouwd te worden en te moeten bewijzen dat je wél te vertrouwen bent. Daarbij komt dat kleinere instituten, die gewoon over minder stafmedewerkers kunnen beschikken, in toenemende mate moeite krijgen om al die maatregelen uit te voeren. Terwijl, door de bank genomen, de meeste kleinere instituten een stabiele, goede kwaliteit laten zien.

Ik ben het dus hartelijk eens met Ivo Arnold, hoogleraar aan Nijenrode Business Universiteit. Echter op een punt verschil ik met hem van mening. Hij vindt dat een instituut voor hoger onderwijs niet moet werken aan een ‘breed gedragen visie’ op kwaliteit van het onderwijs. Dat vind ik nu juist wel nodig. Arnold lijkt vooral te pleiten voor veel vrijheid voor de docent-wetenschappers. Je moet ze vooral niet in een keurslijf stoppen. Hij pleit voor diversiteit. Dat laatste deel ik. Laat docenten, medewerkers, vakgroepen vooral doen waar ze goed in zijn en geef ze daartoe vooral ruimte. Maar we moeten het wel met elkaar hebben over kwaliteit. Juist dáárover moeten we het hebben met elkaar. En daar wringt zich m.i. ook de schoen. Als we niet met elkaar spreken over wat we goed onderwijs of goed onderzoek vinden, als we dat overlaten aan de individuele professional, dan zullen we niet tot goede teamprestaties komen en wetenschappers uit de bocht vliegen, onder de hoge prestatie- en citatie-druk.  Veel van het huidige controle- en kwaliteitsdenken vind ik niet nodig, zeker niet voor alle instituten zonder onderscheid, maar werken aan een gezamenlijke visie op kwaliteit is wel van belang. En het loont de moeite.

In het pas verschenen boek ‘Toonaangevend’,  doen de auteurs verslag van een onderzoek naar het functioneren van iconische organisaties. Iconische organisaties zijn organisaties die zo lang aan de top van hun sector presteren, dat ze uitgegroeid zijn tot een icoon, zoals bijvoorbeeld het Koninklijk Concertgebouw Orkest. Wat is het geheim van deze organisaties? Wat doet het KCO waardoor ze al jarenlang  bovenaan de lijst van toporkesten staan? In het verband van dit artikel, wil ik drie dingen uit het  onderzoek noemen. Iconische organisaties worden niet top-down bestuurd. De teamleden hebben veel inspraak en medezeggenschap en krijgen ook veel eigen verantwoordelijkheid.  Iconische organisaties besteden buitengewoon veel aandacht aan de kwaliteit van het individu en van het team.  Ze werken voortdurend aan de verbetering van hun kwaliteit. En ze vergelijken zich niet met anderen, maar ze proberen vooral zichzelf te overtreffen.

Laten instituten voor hoger onderwijs werk maken van de kwaliteit. Laten vooral de professionals zelf daar werk van maken, individueel en met elkaar. Integriteit en werken aan kwaliteit behoren tot de basisattitude van de professional.  De praktijken waarin zij werken is niet te sturen door maatregelen van bovenaf, controles en accreditaties, maar moet gestuurd worden door waarden en normen die inherent zijn aan wat we van professionals mogen verwachten. Het voortdurend werken aan de verbetering van de kwaliteit is er daar een van. Zoals een orkestlid van het KCO het uitdrukte: ‘We blijven bezig om de diamant te polijsten’.