Leiderschap vraagt karakter

Goede leiders zijn niet op zichzelf gericht, maar zoeken de groei en bloei van de gemeenschap. Ze nemen besluiten op grond van morele waarden, spiegelen zich aan de Bijbel en bidden om wijsheid, betoogt Rens Rottier.

Dat wij in een tijdperk van verandering leven, is een open deur. Grote geesten steken dieper af en zeggen dat we in een verandering van tijdperk leven. Op veel fronten ervaren we kantelingen, met grote gevolgen voor onze samenleving. Ingewikkelde vraagstukken komen op ons af. Eenvoudige oplossingen zijn niet voorhanden. Er is behoefte aan leiderschap. Aan leiders die, onafhankelijk van heersende meningen en van wat populair is, de echte vragen durven stellen. Die de verantwoordelijkheid nemen om nieuwe wegen te zoeken of oude paden te herstellen.

Voor christenen die leidinggeven in het bedrijfsleven, de politiek of de maatschappij ligt hier een uitdaging. In dit essay ga ik na welk leiderschap er nodig is en wat we vanuit onze christelijke traditie daaraan kunnen bijdragen.

Onbehagen

Op globaal en lokaal niveau in onze samenleving (in organisaties, bedrijven en gezinnen) hebben de veranderingen grote impact. Ze vragen om leiderschap. Onze welvaart en het daarbij passende vooruitgangsgeloof naderen hun grenzen. We verliezen het vertrouwen in de politiek en de instituties. Het maatschappelijk onbehagen groeit. We kunnen niet meer vertrouwen op informatie die via media tot ons komt. We ervaren onze kwetsbaarheid en raken verstrikt in complexe vraagstukken die onoplosbaar lijken.

Een voorbeeld van zo’n complex vraagstuk is ons op maximale productie gerichte landbouwsysteem. Een paradepaardje van de Nederlandse economie. Het is perfect georganiseerd. Door de inzet van veel kennis en techniek hebben we de processen in eigen hand en halen we alles eruit wat erin zit. Helaas ervaren we steeds meer de schaduwzijden van deze ontwikkeling. Het uitsterven van bijen en andere insecten, met ingrijpende gevolgen op langere termijn, toont een van die donkere kanten. En stelt boeren, natuurbeheerders en politici voor een ingewikkeld, schier onoplosbaar vraagstuk.

Onze samenleving kent veel van dit soort vraagstukken. Politici, beleidsmakers en ondernemers bijten hun tanden erop stuk. Een diversiteit aan meningen en mogelijke oplossingen komt via de media naar ons toe. En steeds meer komt de prangende vraag in ons op: wie zal hier leidinggeven en de goede richting wijzen?

Management dat de dingen goed doet, organiseert, uitlijnt en projectmatig aanstuurt, schiet hier tekort. Dit type vraagstukken is niet op te lossen door de dingen nog efficiënter te doen. We hebben mensen nodig die de vraag stellen of we de góéde dingen doen. Leiders die de verschillende belangen weten te overstijgen, over hun eigen schaduw heen durven springen, zoeken naar ”win-win”, over de grenzen van de sectoren het gesprek aangaan, nieuwe inzichten ontwikkelen. Leiderschap dat fundamentele vragen durft te stellen bij het systeem en een beweging op gang weet te brengen om dit te veranderen. In deze ingewikkelde tijd hebben we een overvloed aan managers, maar een gebrek aan leiderschap.

Richting en visie

Door klimaatveranderingen smelten ijsbergen. Ook de managementpiramide heeft haar langste tijd gehad. Top-down leiderschap is voorbij. Organisaties verplatten. Zelforganisatie en zelfsturing zijn de nieuwe trend.

Hiermee lost de vraag naar leiderschap zich echter niet op. Veranderingen in structuren brengen ons zelden tot nieuwe inzichten. Ze werken even, maar al snel ervaren we de nadelen ervan.

Omgekeerd werkt het wel: nieuwe inzichten leiden vaak tot aanpassingen van de structuren. Daarvoor is echter leiderschap nodig. Leiders die richting wijzen, visie hebben, kunnen en durven denken vanuit een nieuw paradigma.

We beseffen allemaal dat er goed leiderschap nodig is om een land te besturen, een school of ziekenhuis te leiden of een onderneming te starten en tot een succes te maken. Maar wat is goed leiderschap?

Op zoek naar een antwoord op deze vraag heeft men bibliotheken vol managementboeken geschreven. Het wemelt ook van businessschools met MBA-opleidingen in allerlei soorten en maten. En er is een scala aan leiderschapstrainingen. Toch zou ik het antwoord op de vraag naar goed leiderschap niet daarvan willen verwachten. Veel van die opleidingen zijn vooral economisch gedreven en ingebed in de sociale en economische wetenschap. Ik leg mijn oor liever te luister bij geesteswetenschappen, zoals theologie, filosofie, ethiek en cultuurwetenschap. Daar krijgen we antwoorden op vragen als: Waartoe zijn wij op aarde? Wat is de zin en betekenis van leiderschap? Wat is de menselijke waarde ervan? Hoe werkt leiderschap? Wat is goed leiderschap?

Integriteit

”Zonder moraal gaat het niet” is de titel van een rede die Joris Luyendijk in 2016 hield en waarin hij onder woorden brengt wat hij als journalist van de bankencrisis leerde. Die titel is de kortst mogelijke samenvatting, niet alleen van de bankencrisis, maar ook van wat er in onze samenleving aan leiderschap nodig is. Leiderschap gaat over moraal, over wat goed is voor organisaties en voor de samenleving, voor burgers, leerlingen en patiënten. Leiderschap gaat over onderliggende waarden die laten zien wat ertoe doet, wat we echt van belang vinden en waar we naar streven. Waarden die richting geven aan ons handelen.

Het fundament van leiderschap is karakter. Daarmee bedoel ik niet de eigenschappen waarmee je geboren wordt en die je deels in de genen meekrijgt. Karakter is wie je bent, waar je voor gaat en waar je voor staat. Niet charisma en organisatietalent maken iemand tot een leider met impact, maar de persoon die hij is. Veel onderzoekers speuren naar het geheim van goed leiderschap. Rijen kenmerken vinden we in hun artikelen en boeken. Ze zijn bijna allemaal terug te brengen tot één noemer: de persoon van de leider.

Bij goed leiderschap gaat het om karakter, deugden, ethiek en moraal. Woorden die daarbij passen zijn: integer, verantwoordelijk, onbaatzuchtig, compassie, moedig. Leiderschap vraagt karakter. Het is dat wat je bent als niemand je ziet. Je gedraagt je zo omdat je zo bent en zo wilt zijn. Anderen noemen dit innerlijke integriteit. Het vermogen om in een bepaalde context het goede te doen. Niet omdat het moet, maar omdat je het wilt.

Radar of kompas

In veranderende tijden kunnen leiders niet op de automatische piloot varen. Als oude werkwijzen niet meer voldoen, moet je op zoek gaan naar nieuwe. Dat vraagt om visie, richtingsbesef en moed. Durf een nieuwe koers te kiezen. Die koers kun je bepalen via de radar of via het kompas.

Een radar zendt signalen uit die terugkaatsen als er iets in de weg zit. Op het radarscherm doemt op wat dicht in de buurt komt en om reactie vraagt. Koersen via de radar werkt van buiten naar binnen. De signalen die van buiten komen, bepalen je vaarroute. Veel mensen gaan zo door het leven. Ze laten zich leiden door wat er van buiten op hen afkomt. Mode, trends, nieuwe technieken, gebeurtenissen, storingen. De sociale media zijn zo geprogrammeerd dat ze ons vaak willen onderbreken. Hoe vaak laten we dit ook daadwerkelijk gebeuren? Gaan we al websurfend door het leven? Gaan we zonder bepaald doel van het een naar het ander, getrokken door wat zich aandient, aandacht trekt of in het nieuws is?

Leidinggeven via de radar werkt van buiten naar binnen. Dan reageer je steeds op wat er op je afkomt. Je volgt de hypes, laat je leiden door wat anderen van je vinden. Dat zorgt voor een onrustig bestaan. Je vaart een zigzagkoers en weet niet goed waar je naartoe wilt.

Varen op een kompas werkt anders. Je gebruikt een kompas om de juiste richting te vinden. Het is geen routeplanner die precies zegt wanneer je moet afslaan. Een kompas geeft de richting aan. In de praktijk neem je elke keer je besluiten met die richting voor ogen. Je gaat ergens naartoe. Je hebt een doel voor ogen. En je maakt die keuzen die het doel dichterbij brengen. Varen op het kompas is niet reactief, niet risicomijdend, maar proactief en doelgericht. Je bent op weg en je negeert wat je van dat pad af zou brengen.

Varen op het kompas is moeilijk. Je moet je aandacht gericht houden op het doel, weten waar je naartoe wilt, visie ontwikkelen, richting zoeken. Dat allereerst. En dan ook de discipline hebben om je niet van je pad af te laten brengen. Discipline is: veel dingen niet doen die andere mensen wel doen. Omdat je een doel voor ogen hebt dat belangrijker voor je is dan alle storingen en afleidingen uit je omgeving.

Staande blijven

Als we karakter, moraal en kompas bij elkaar brengen, betekent goed leiderschap varen op het morele kompas. Een moreel kompas wordt gevormd door je persoonlijke waarden, die nauw samenhangen met je wereldbeeld, je overtuigingen, je levensbeschouwing, je geloof. Waarden die je deels in je thuismilieu meekrijgt en door levenservaring verder ontwikkelt. Die waarden geven richting, helpen je om de goede keuzes te maken en vormen je tot iemand met karakter.

Goed leiderschap is moreel leiderschap. Grote leiders vallen daardoor op. Ze tonen karakter om staande te blijven te midden van verleidingen. Maken morele keuzen op basis van hun waarden. Staan ergens voor en gaan daar ook voor, koste wat het kost.

Moreel leiderschap is niet op zichzelf gericht, maar zoekt de groei en bloei van de gemeenschap. Het zet de behoeften van anderen voorop en neemt en hanteert besluiten op grond van morele waarden.

Rijke erfenis

Het christelijk geloof en de joods-christelijke traditie vormen een rijke voedingsbodem voor moreel leiderschap. We hebben niet alleen het meest zuivere morele kompas tot onze beschikking, de Bijbel, de Wet, het Evangelie. We staan ook in een traditie van duizenden jaren, waarin we voorbeelden hebben van koningen, priesters, profeten, leiders en discipelen. Van predikanten, zendelingen, leiders en leraren. Maar ook van ‘gewone’ gelovigen die in hun eigen omstandigheden moreel leiderschap toonden.

Naast de Bijbel is er een massa christelijke literatuur over de essentie van het goede leven, over hoe wij als mensen moeten samenleven, welke waarden we moeten nastreven, wat de betekenis is van het leven op aarde en hoe een leven met God ons pas echt tot onze bestemming brengt. Daarmee beschikken we over een geweldig arsenaal aan verhalen, beelden, concepten, ideeën en woorden die ons helpen om moreel leiderschap handen en voeten te geven.

Een oprecht christelijk leven brengt ons in de juiste modus om leiderschap te tonen en te ontwikkelen en te leven naar de standaard van morele waarden. We ontlenen onze waarden aan Gods wet, een volmaakt normatief kader.

De basis is God liefhebben boven alles. Dat betekent dat we alles doen voor Hem en niet voor de mensen. Dat we strijden tegen de zonde, allermeest in ons eigen leven. Dat we beseffen te mogen leven van genade, wat leidt tot een liefdevolle en barmhartige houding jegens de ander. Dat betekent ook dat we leidinggeven vanuit een houding van dienende verantwoordelijkheid, omdat we beseffen dat we rekenschap moeten afleggen aan de Koning van hemel en aarde.

De naaste liefhebben als onszelf leert ons gericht te zijn op de ander. Te heersen door te dienen, te handelen naar Gods wil in het omgaan met de mensen in onze omgeving en te bidden om Zijn zegen.

Een oprechte christen praktiseert waarden zoals betrouwbaarheid, eerlijkheid, waarheid, betrokkenheid, aandacht en toewijding. Christelijke leiders tonen morele moed, zijn integer en maken geen misbruik van hun positie. Ze doen wat ze zeggen en geven zelf het goede voorbeeld.

Leiders die het christelijk geloof aan hun werk verbinden, beseffen dat ze hun gaven van God ontvingen en verwachten elke dag hun kracht van God. Ze verlangen ernaar Jezus te volgen en van betekenis te zijn in de wereld.

Een christen die zich het eigendom van Christus weet, hoeft niet met zichzelf bezig te zijn, hoeft zijn eigen ik niet op te blazen. Hij heeft daardoor ruimte en aandacht voor anderen en voor de taak die God hem gaf. Een christen hoeft niet de populariteit van zijn omgeving na te streven; dat geeft hem een zekere onafhankelijkheid.

Christenen beschikken over een rijke erfenis als het gaat om moreel leiderschap. Ze staan daarin op de schouders van de velen die hen voorgingen.

Ingekerfd

Kunnen we moreel leiderschap leren? Ja. Maar we zijn daarin allereerst afhankelijk van Gods Geest, Die ons hart moet hervormen, onze wil moet ombuigen en ons een nieuwe levensrichting moet geven. Hij is de eerste. Uiteindelijk gaat het bij christelijk en moreel leiderschap om een diep besef van afhankelijkheid. Daarvoor is een wijs hart nodig. Salomo besefte dit toen hij, in antwoord op de droom waarin God hem verscheen, vroeg om „een verstandig hart”, om onderscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad.

Tegelijk staat het ontwikkelen van moreel leiderschap niet los van hoe we leven, ons gedrag, onze gewoontevorming en het oefenen van nieuwe gedrags- en denkpatronen. Het staat ook niet los van het leren van fouten en het reflecteren op ons eigen optreden en gedrag en vooral ook het vragen van feedback.

Het oorspronkelijke woord voor karakter is verwant aan het werkwoord ”inkerven” ofwel ”etsen”. De beeltenis van een machthebber werd ”ingekerfd” in een munt. De waarden die God ons gegeven heeft tot heil van onszelf, onze naaste en de wereld waarin we leven, moeten ingescherpt en ingekerfd worden. Dan laten we in ons dagelijks leven iets zien van Hem Wiens beelddrager we zijn. En zo krijgen we karakter.

Nogmaals: kunnen we moreel leiderschap leren? Ja, maar we zijn er nooit. We blijven beginners en moeten dagelijks oefenen. Daarvoor heeft de christelijke traditie ons een belangrijke vorm meegegeven: elke dag beginnen op je knieën. Dat is al duizenden jaren door miljoenen gelovigen beoefend. Je dagelijks vormen in de godzaligheid, door het nemen van tijd voor gebed en Bijbelstudie. Stille tijd, waarin je jezelf heel concreet spiegelt aan de Bijbel en om wijsheid bidt. Omdat we weten wat David in Psalm 18 bad: „Want U doet mijn lamp lichten, Heere.” Alleen in Zijn licht zien wij het licht. Om moreel leiderschap te kunnen beoefenen, moeten we ons dagelijks laten voorlichten door het Woord van onze God. Alleen wanneer we door Hem aangestoken zijn, kunnen we een licht zijn voor anderen.

Gepubliceerd als essay in het Reformatorisch Dagblad 18 mei 2018.

 

Dankboek

Aan het eind van het jaar komen veel mensen in een gemoedsgesteldheid waardoor ze gaan terugkijken op wat er gepasseerd is. Hoe doe je dat? Ernst-Jan Pfauth wijst ons de weg om daarin dankbaarheid te tonen. Hij heeft dit tot onderdeel van zijn levenspatroon gemaakt en is er gelukkiger door geworden.

Op 1 september 2017, las ik dit bijzondere twitterbericht: Kijk hoe mooi het #Dankboek, dagboek voor een tevredener leven, van @ejpfauth is geworden! Het bericht kwam van Rob Wijnberg, die samen met Ernst-Jan Pfauth de Correspondent heeft bedacht en opgericht. De Correspondent is een online journalistiek platform, dat onafhankelijke journalistiek wil bedrijven. Donateurs en leden financieren het, ze plaatsen geen advertenties.

Ernst-Jan Pfauth las een jaar lang zelfhulpboeken en deed er verslag van. In een aantal artikelen beschrijft hij deze leestocht. Het resultaat: hij is er niet gelukkiger van geworden. De zelfhulpboeken leerden hem nog efficiënter te werken, maar de tijd die hij uitspaarde ging op in nog meer werken. Al die boeken leverden hem chronische ontevredenheid op. Hij ontdekte dat we niet moeten streven naar succes of rijkdom, maar naar voldoening.

Het verhaal raakt me, omdat het zo herkenbaar is. Ook in mijn leven. Harder, efficiënter werken, laat leegte achter, geen voldoening. Uiteindelijk is echte voldoening niet te vinden in hard je best doen. Geluk en voldoening hebben te maken met je levenshouding, de richting van je leven. Ernst-Jan en zijn vrouw zijn dat gaan oefenen. Gewoon door aan het eind van de dag terug te denken aan wat er die dag voldoening gaf, waar ze dankbaar voor zijn. Dit werd een ritueel en het door hem ontwikkelde Dankboek ondersteunt daarbij. Het recept is eenvoudig, het Dankboek nodigt je uit om elke avond drie dingen op te schrijven waarvoor je dankbaar bent.

Ik doe hetzelfde, maar anders. Ik hou een persoonlijk journaal bij. Begin dan meestal met waar ik dankbaar voor ben en zet voor die dingen een D in de kantlijn. Dankbaar zijn leerde ik in de christelijke traditie waarin ik ben gevormd. Dankbaarheid is een centrale waarde in het christelijk geloof en is sterk gerelateerd aan afhankelijkheid. Een levenshouding die haaks staat op maakbaarheid. Een afhankelijk mens beseft dat er machten en krachten zijn die buiten zijn directe invloedsfeer liggen.

Voor mij als christen heeft afhankelijkheid alles te maken met het geloof in God. Met de belijdenis dat Hij mijn leven leidt. Met rust die ik niet in mezelf vindt en die niet door eigen inspanning verwerf, maar vind in de overgave aan God. Leven uit dankbaarheid is een leven in afhankelijkheid. Dat geeft rust en richting aan je leven. Het werkt als tegengif tegen alle onrust, stress, ego-tripperij, het voortdurend de lat te hoog leggen en alles-moeten-doen. Inderdaad, de ervaring van Ernst-Jan is herkenbaar. Dankbaarheid leidt tot een gelukkiger leven.

Het dankboek is verkrijgbaar via de kiosk van De Correspondent. Kost wel wat € 20,-, maar je krijgt er ook iets voor. En het werkt. Dat heeft Ernst-Jan ervaren. Maar dat weten we al duizenden jaren. Dankbaarheid loont.

 

 

Spreken over identiteit en religie

In het RD van 7 februari schrijft dr. Sam Janse een erudiet essay ‘Waarom Wilders maar half gelijk heeft’, over het gesprek met de islam en de eventuele gewelddadigheden van deze religie. Hij reikt daarin een aantal, voor mij, nieuwe inhoudelijke aspecten aan om dit gesprek te voeren. Maar wat ik er voor dit blog vooral uit wil halen, zijn de inzichten die hij geeft in het voeren van discussies over religie. Immers gesprekken over religie en identiteit zijn niet gemakkelijk. Vaak verzanden ze, bereiken niet hun doel, leveren veel verkeerde emoties op en leiden zelden tot een constructieve uitwisseling.

sam janseJanse onderscheidt een drietal posities die je in een religie-gesprek kunt innemen.

De analyse: je blijft op afstand, koestert een zeker wantrouwen ten opzichte van de ander en zijn religie of identiteit en je betracht objectiviteit.

Openheid: je gaat het gesprek open in, je zoekt ook nabijheid en probeert de ander te begrijpen. Er is minder afstand en je bent minder kritisch en mogelijk ook niet objectief.

Een constructieve middenpositie: je gaat het gesprek in met een open houding, maar je koppelt daaraan een scherpe analyse en je gaat de moeilijke vragen niet uit de weg.

Toegepast op het gesprek met de Islam ziet Janse Wilders als degene die voor de eerste benadering kiest. Wilders concludeert dat de Islam een politieke ideologie is en een religie die in zijn wezen gewelddadig is.

Karen Armstrong is een exponent van de tweede benadering. Zij ziet de islam als in wezen vredelievend en volgens haar weten de moslimterroristen niet wat hun religie inhoudt.

Janse laat de beperkingen zien van beide benaderingen en zoekt zelf naar de constructieve middenpositie. Een open houding, betrokken op de ander, maar wel een scherpe analyse en de moeilijk vragen niet uit de weg gaan. ‘Het kopje thee mag niet ontbreken’, maar de moeilijke vragen moeten wel op tafel komen. De moeilijkheid is dat in het publieke debat, waar deze discussies vaak worden gevoerd, het kopje thee ontbreekt en alleen de moeilijke vragen overblijven. Daarmee worden tegenstanders zelden overtuigd, hoewel het publieke debat wel van belang is voor de opinievorming van de buitenstaanders, overtuig je er zelden een tegenstander mee. Tegenstanders bevechten elkaar in de media, maar als je ze bij elkaar zet lijken ze veel dichter bij elkaar te zitten, dan je uit hun opinieartikelen dacht af te leiden.

In het genoemde essay laat Janse zien wat deze houding betekent in het gesprek met de Islam. Ik vind dit een mooi voorbeeld. Vanuit een open en betrokken houding, niet een klein miljard mensen op deze aarde afschrijven omdat ze moslim zijn, maar wel de scherpe analyse plegen en de moeilijke vragen te berde brengen. Benieuwd hoe hij dit doet? Zie zijn essay.

Janse is ons tot voorbeeld om een manier van gesprek te beoefenen tussen religies en over identiteit. Deze route moeten we meer bewandelen. Betrokken zijn, openheid betrachten, maar wel de vragen stellen die we hebben naar elkaar en daarover het gesprek aangaan.

Te vaak kiezen we voor de benadering van Wilders of die van Armstrong.

Nu kreeg ik pas van een collega een communicatiemodelletje aangereikt. Het brengt in beeld wat Janse beschrijft. Ik weet niet aan wie het ontleend is en met welke naam het bekend is, ik noem het de confrontatiematrix.

Confrontatie-matrixAls je iets ziet gebeuren bij de ander b.v. een collega waar jij het niet mee eens bent, zijn er verschillende mogelijkheden om dit aan te kaarten. Als je een goede relatie hebt met deze collega dan ben je geneigd om het door de vingers te zien, het toe te dekken, de ander te verdedigen.

Als je geen nauwe relatie met de collega hebt en de zaak op zich je de moeite niet waard is, vermijd je om erover te spreken.

Als je het gesprek wel wil aangaan, omdat het je hoog zit, omdat het iets betreft wat volgens jou echt niet kan of waardoor b.v. het hele team in de problemen komt, dan hangt het erg af van de relatie die je met de betreffende collega onderhoudt hoe het gesprek gaat overkomen en wat het gaat opleveren.

Heb je niet of nauwelijks een relatie, maar stel je het probleem onomwonden aan de orde, dan is er sprake van forceren. De ander zal het moeilijk vinden om de boodschap van jou te ontvangen, hij heeft immers niets met jou en waar bemoei jij je eigenlijk mee. Grote kans dat het effect nihil of zelfs negatief zal zijn. De ander gooit de kont tegen de krib en verzet zich juist tegen jouw inmenging.

Is het iemand met wie je een goede relatie hebt, dan zal die ander jouw reactie belangrijk vinden, immers  hij wil graag dat die relatie in stand blijft en onder vrienden moet zoiets ook gezegd kunnen worden. Pas dan is er sprake van confronteren en dit zal waarschijnlijk effect hebben.

Om iets moeilijks bespreekbaar te maken, moet er dus een relatie zijn, wil je enige kans op begrip en verandering kunnen maken.  Alleen vanuit een relatie kun je confronteren op zo’n manier dat het invloed heeft. Anders wordt het op zijn best forceren en dat wekt boosheid, weerstand en verzet.

Naarmate de problematiek die je wilt bespreken dichterbij de persoon komt is dit belangrijker. Juist in gesprekken over de diepe dingen van ons leven, godsdienst, levensbeschouwing, overtuigingen die we hebben en identiteit, is een vruchtbaar gesprek alleen mogelijk als er iets van een relatie is. Zonder ‘het kopje thee’ zal er niet snel begrip bij de ander ontstaan en zeker geen gedachten- of gedragsverandering plaatsvinden. Het theedrinke van Job Cohen, tijdens zijn burgemeesterschap van Amsterdam, was nog niet zo gek, hoewel hij daar wel om is verguisd, m.n. door de mensen die vooral de Wilders-aanpak kiezen in de omgang met onze medelanders.

Vormgeving identiteit Driestar educatief hangt af van context

Verschenen als opinieartikel in RD van 26 december en is een antwoord op de reactie van een drietal collega’s op het essay ‘Telkens terug naar de bron’.

Binnen de reformatorische kring spreken over identiteit is niet makkelijk. Je kan zomaar worden misverstaan. Met mijn essay ”Telkens terug naar de bron” (RD 13-12) wil ik het gesprek stimuleren over hoe levensbeschouwelijke organisaties hun identiteit praktiseren.

Uit veel reacties blijkt dat het mensen inderdaad helpt aan inzichten, taal en beelden om dat gesprek ook voor de eigen organisatie te voeren. Ik waardeer het dat de collega’s Flier, Kuijers en Van Leeuwen een bijdrage leveren aan dit gesprek met hun reactie op Forum. Dit artikel toont hun grote betrokkenheid bij Driestar educatief. Alle drie zijn ze graag geziene gasten binnen ons instituut, altijd bereid om te participeren in resonansgroepen of projecten. In hun artikel uiten ze hun waardering voor de kwaliteit die Driestar educatief levert, en ze begrijpen ook dat vormgeven aan de identiteit een zoektocht is, omdat de omgeving en de vragen die deze stelt steeds verandert.

Grondpatronen

De drie directeuren hebben echter moeite met de nieuwe koers die Driestar volgens hen zou zijn ingeslagen en gebruiken daarvoor woorden als „het weghalen van begrenzingen, verzetten van de oude palen, vervreemden van de achterban”. Herlezing van mijn essay met deze opmerkingen in het achterhoofd, roept bij mij de vraag op waar de collega’s zich nu precies op baseren. Weliswaar spreek ik over het zoeken van nieuwe manieren om met identiteit om te gaan, een tocht die ik ook bij de SGP waarneem, maar ik stel uitdrukkelijk, dat juist het denken vanuit de kern niet een volledig nieuwe weg is. Bovendien geef ik aan dat normen en vormen er wel degelijk toe doen, zelfs belangrijker worden.

De Driestargeschiedenis beschreven in de boeken ”Wordt een heer!” en ”Wees een gids!” laat zien dat Kuijt een aantal grondpatronen heeft gelegd die nog steeds binnen Driestar educatief terug te vinden zijn.

Allereerst de Bijbel en het gereformeerde belijden als de kern van onze identiteit. Daarna de brede kijk op de plaats van de kerk in de wereld, daarvoor liet Kuijt zich vooral vormen door Calvijn, de keuze voor interkerkelijkheid, de passie voor een brede vorming van studenten en zelfs al het belang van internationalisering. Dit grondpatroon is nog steeds actueel voor ons instituut. De vraag waar we telkens voor staan is hoe we dit doorvertalen naar deze tijd.

In het tweede boek wordt dit uitvoerig beschreven door John Exalto en Ton van der Schans. Je ziet daar dat we vanuit dezelfde kern zoeken naar antwoorden op de vragen die tot ons komen, en die per periode verschillend zijn. Dit is de zoektocht die elke identiteitsgebonden organisatie meemaakt. Dan is er niet zozeer sprake van koerswijzigingen, maar vanuit de kern zoeken naar de bij de context passende vormen en normen.

Overigens laat de geschiedschrijving zien dat er altijd wel een kritische houding is geweest van de primaire doelgroep van Driestar naar het ‘eigen’ instituut. Dit is niet altijd gemakkelijk, maar komt wel voort uit een grote betrokkenheid van de achterban.

Kernwaarden

Een voorbeeld van het zoeken naar een passende vorm is de publieke bijeenkomst waar de collega’s aan refereren. Een bijeenkomst die wij niet met Schriftlezing en gebed openden. Ze zien dit als consequentie van kerndenken. Als de context niet bekend is, kan de argeloze lezer inderdaad de indruk krijgen dat Driestar educatief de traditionele vormen overboord zet. Niets is minder waar.

In het essay schrijf ik dat wanneer je vanuit de kern probeert te denken en te werken, vormen niet minder, maar meer van belang zijn. De context is echter bepalend voor de vorm die je kiest. De genoemde bijeenkomst was voor een breed publiek, om ons boek ”Onderwijs vraagt leiderschap” aan de man te brengen en daarbij horende  onderwijsadviesproducten te promoten.

Bij een promotie-bijeenkomst voor een breed publiek, kiezen we voor een andere vorm en openen we niet op traditionele wijze, dat is niet passend. Binnen onze opleidingen en bij onderwijsadvies-activiteiten die identiteitsgebonden en op de eigen achterban zijn gericht, maken we hierin heel herkenbare keuzes. De vormgeving die we kiezen hangt af van het doel, de inhoud en de doelgroep.

Wat ik mis in de reactie, is dat er niet wordt ingegaan op de kern van mijn betoog: hoe geven wij in onze instituten de identiteit vorm en norm? Hoe laten we de kern van de identiteit een levende werkelijkheid blijven of worden?

Dat is onze opdracht en daar wil ik graag het gesprek over voeren. Als de suggestie achterblijft dat dit een maakbaar proces is, dan betreur ik dit. In de manier waarop we de kernwaarden van Driestar educatief hanteren, is een houding van afhankelijkheid cruciaal. Leven en werken uit de kern is niet maakbaar, maar afhankelijk van het de werking van Gods Geest. Toch zijn we verantwoordelijk voor het gestalte geven aan de identiteit in de praktijk van elke dag.

Ik deel het verlangen van de collega’s naar een gefundeerde, levende en functionerende identiteit in onze organisaties. Kerndenken mag daaraan geen afbreuk doen. Ik wil luisteren naar hun mening en die ook meenemen in verdere doordenking van identiteit binnen ons instituut. Kerndenken op de manier die mij voor ogen staat, gaat niet ten koste van de identiteit, maar doet je bewuster omgaan met de rijkdom van Gods Woord en andere bronnen. Zorgvuldig keuzes maken voor normen en vormen die passen bij de kern van de identiteit, om zo de kern binnen de context concreet maken.

 

 

 

Telkens terug naar de bron

Verschenen als essay in Reformatorisch Dagblad, 13 december 2014.

schapenDe veranderende samenleving vraagt van christelijke organisaties om te denken vanuit de kern van hun identiteit. Dat maakt helder waar je als christelijke instelling voor staat. Hoe die kern wordt vertaald naar concrete normen en regels, kan per situatie verschillen.

Tijdens de laatste algemene beschouwingen in de Tweede Kamer leverde SGP’er Kees van der Staaij een opmerkelijke bijdrage. Hij deed het voorkomen alsof een vergadering van de ministerraad begon met een Bijbelstudie. Op gevatte wijze legde hij verschillende leden van het kabinet uitspraken in de mond, passend bij hun politieke kleur. Zo liet hij minster Ploumen van Ontwikkelingssamenwerking voorstellen om te kiezen voor de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Mede door deze originele aanpak kreeg zijn bijdrage veel media-aandacht.

Ongetwijfeld heeft Van der Staaij met zijn medewerkers vooraf goed nagedacht over de inhoud en vormgeving van zijn bijdrage. In de keuzen die gemaakt zijn, hebben ze gezocht naar een manier om de levensbeschouwelijke identiteit van de eigen partij in het debat in te brengen. Al vaker is Van der Staaij opgevallen door de originele manier waarop hij dit doet. Zelfs bij aperte tegenstanders van christelijke politiek levert deze manier een zekere ontvankelijkheid op. Door zijn creatieve aanpak had hij tijdens de begrotingsbehandeling ruimte een hele perikoop uit de Bijbel te citeren. Welk Kamerlid heeft dat ooit gedaan?

Niet minder, maar anders

Wat in Van der Staaijs publieke bijdragen vooral opvalt, is dat hij het accent legt op het positieve van de Bijbelse boodschap. Minder laat hij het opgeheven vingertje zien, maar meer de hartelijke uitnodiging klinken. Een commentator schreef in deze krant: „Van der Staaij getuigt niet minder, maar anders.”

Of je het ermee eens bent of niet, duidelijk is dat Van der Staaij en de zijnen zoeken naar een nieuwe manier om de christelijke identiteit in het dagelijkse politieke bedrijf handen en voeten te geven. De manier waarop de geloofsovertuiging van de partij doorklinkt in het politieke handelen, is niet meer dezelfde als veertig jaar geleden. De voorman van de SGP zoekt vooral naar een aansprekende manier om de kern van het christelijke denken over te brengen. Door deze zoektocht toont Van der Staaij leiderschap in een tijd die vraagt om nieuwe verwoording van het christelijk getuigenis.

Denkproces

Ik herken me in deze zoektocht naar nieuwe manieren om met identiteit om te gaan. Binnen Driestar educatief hebben we daarover de achterliggende jaren vaak en diep nagedacht. We zijn niet minder bezig met onze identiteit, maar wel anders. Hoe staan we als christelijke organisatie in de samenleving van de 21e eeuw? Dat vraagt om doordenking van onze christelijke waarden en hoe die doorwerken in ons handelen. Een deel van dit denkproces wil ik door middel van dit essay delen in de hoop dat het dienstbaar is aan het gesprek over identiteit binnen christelijke, reformatorische organisaties.

Tal van reformatorische organisaties, zoals scholen, zorginstellingen, verenigingen, media en politieke partijen, zijn ontstaan uit de behoefte van een groep mensen die een organisatie met een gereformeerde identiteit wensten. Ouders en leerlingen, deelnemers, cliënten of leden verwachten dat die identiteit herkenbaar aanwezig is. De instituten besteden in hun beleid en presentatie daarom veel aandacht aan het vertalen van de identiteit naar de praktijken binnen hun organisatie. Hoe maak je als organisatie in de praktijk van elke dag zichtbaar en merkbaar wat je gelooft en wie je daarom bent? Hoe geef je als teamleider, directeur of bestuurder daaraan leiding?

Waarden en normen

De kern van de identiteit bestaat uit diepliggende waarden, die geworteld zijn in een levensovertuiging. Om waarden zichtbaar te maken in de praktijk en ze te verankeren in de organisatie, is het nodig om ze te vertalen naar normen en regels. Waarden vormen de kern van de identiteit, normen en regels zijn de vertaling ervan binnen een bepaalde context. Een organisatie benoemt bijvoorbeeld als waarde dat de medewerkers zich in hun handelen laten leiden door de Bijbel. Een concrete norm die daaruit afgeleid wordt, is dan dat er met enige regelmaat een bezinnend moment ingepland wordt, zoals een weekopening of Bijbelstudie waar de medewerkers verwacht worden. Die vertaling naar normen voor gedrag is nodig omdat waarden anders vaag en zweverig kunnen blijven. Belangrijk is echter dat de achterliggende waarde niet uit het oog verdwijnt.

Voor een christelijke organisatie zijn er twee grote gevaren. Het eerste is dat de verschillen tussen medewerkers of deelnemers zo groot worden, dat de waarden niet meer centraal benoemd worden. De identiteit is dan diffuus en krachteloos en kan niet meer leidend zijn voor het handelen van de organisatie. Een tweede gevaar is dat de waarden wel gemeenschappelijk zijn en vastgelegd in beleidsdocumenten, maar niet leven in de organisatie. Dan vervalt de identiteit tot normen en regels. Wat bindt, zijn de gezamenlijke afspraken, niet de gedeelde waarden. Normen kunnen dan heel gemakkelijk als kern van de identiteit gezien en beleefd worden. Het kan ook zijn dat mensen binnen de organisatie denken dat het met de identiteit wel goed zit als alles volgens de regels verloopt. Terwijl de kern van de identiteit langzaam verdwenen is.

Delen met anderen

Binnen Driestar educatief zijn er drie ontwikkelingen waardoor we opnieuw nadenken over onze waarden en hoe we deze praktiseren. Allereerst is er de acceptatieplicht binnen het hbo. Studenten die na kennismaking en een persoonlijk toelatingsgesprek ervoor kiezen om bij ons te komen studeren, worden toegelaten, ook als zij niet of niet helemaal onze identiteit delen. Daardoor zien we bij sommige deeltijdopleidingen een gemêleerde studentenpopulatie ontstaan. Daarnaast levert Driestar educatief behalve aan de primaire doelgroep van reformatorische scholen steeds vaker aan allerlei andere scholen diensten op het gebied van onderwijsadvies.

De derde ontwikkeling is de internationalisering en het contact met christenen uit andere landen en culturen. Buiten onze grenzen ontmoeten we mensen die leven in een geheel andere context, een andere geschiedenis hebben en vaak met zeer beperkte middelen en lage salarissen hun werk moeten doen. Toch voelen we ons één van geest met hen als we hun hartelijke en diepe betrokkenheid bij de kern van het christelijke onderwijs ervaren. Datzelfde geldt als we hun heldere visie en verwoording horen van waar het in christelijke onderwijs om gaat. Zij kiezen soms heel andere normen, maar we delen onze waarden.

Door deze ontwikkelingen is de overtuiging gegroeid dat Driestar educatief er is voor de reformatorische achterban, maar dat we onze kennis en ervaringen ook willen delen met anderen. We willen goeddoen, vooral aan de huisgenoten van het geloof, maar ook aan allen. Dat betekent dat we geconfronteerd worden met een situatie waarin niet alle studenten en afnemers van onze diensten bekend zijn met onze normen en vormen. Dat noopt ons ze opnieuw te doordenken, onder woorden te brengen en de verbinding te maken met de onderliggende waarden. Daarbij kunnen we niet altijd gebruikmaken van het woordgebruik en het referentiekader van onze directe achterban. We moeten ons richten op de kern van onze identiteit en de basale waarden die daarvan deel uitmaken. Het maakt ons ook nog bewuster van de vraag hoe deze identiteit doorwerkt in ons dagelijks werk, omdat ons gedrag meer zegt over onze identiteit dan onze woorden.

 Schapenboer

De bron voor onze christelijke identiteit is het Woord van onze God. Daarvan geloven en belijden we dat het ons richtsnoer, ons kompas en onze inspiratiebron is voor alle tijden, gelegenheden en vragen. We beseffen dat Schriftstudie en een ontvankelijke houding van groot belang zijn om die bron zijn werk te laten doen. Belijdend dat we in alles van Hem afhankelijk zijn, voelen we ons verantwoordelijk om steeds te zoeken naar lijnen vanuit de Schrift voor ons denken en handelen. Daarna behoort ook de gereformeerde belijdenis tot de kern die ons de weg wijst, inspireert, opscherpt en wijsheid aanreikt. Meer en meer bewust vanuit deze kern leren denken en werken en daardoor ook meer aandacht geven aan de vertaling en doorwerking van de identiteit, zou ik willen aanduiden als “kerndenken”.

Recent hoorde ik van ChristenUnie-Kamerlid Gert-Jan Segers een prachtige illustratie van wat kerndenken is. Hij leverde een bijdrage aan een Europese conferentie waarbij ook diverse Nederlandse reformatorische scholen betrokken waren. Segers vertelde ons over een Nederlandse en een Australische schapenboer. De Nederlander perkt een stuk grasland af met palen en prikkeldraad en bestemt dit als schapenwei. De boer zorgt er vooral voor dat de omheining stevig is, zodat er geen schapen kunnen ontsnappen. De Australische schapenboer heeft geen grenzen aan zijn weiland, maar slaat een bron die stromend water geeft. Omdat een schaap water nodig heeft om in leven te blijven, zal hij altijd weer terugkomen bij die bron. Zo blijft de kudde bij elkaar, zonder omheining, vanwege de aantrekkingskracht van de bron.

Als je een christelijke organisatie ziet als een groep die binnen een bepaalde omheining moet blijven, is het de taak van de leider om de begrenzingen helder te maken en de kudde binnen die hekken te houden. In het andere beeld richt de leiding of het bestuur zich vooral op de kern, de bron. Die bron moet blijven stromen en inspireren, zodat de schapen gevoed worden en bij elkaar blijven. Grensbewaking is vooral gericht op buiten houden wat niet bij je identiteit past en wie er niet bij je doelgroep horen. Kernbewaking is gericht op doen wat bij de kern van je identiteit past en op die manier doelgroepen naar je toe trekken. Dan wordt tegelijk ook duidelijk wie zich daartoe niet voelt aangetrokken en afstand neemt of houdt.

Praktische consequenties

Nu is het werken vanuit de kern niet een volledig nieuwe weg die we zijn ingeslagen. Onze oprichter P. Kuijt en zijn collega’s en opvolgers zochten hier ook naar in de context van hun tijd. Ook zij probeerden de verbinding te leggen tussen de christelijke identiteit en de praktijk van onderwijs en leraarschap. De geschetste ontwikkelingen hebben ons echter veel meer bewust gemaakt van het belang om ons hier expliciet op te bezinnen en ons werk en denken voortdurend aan die kern te ijken. Alleen zo kunnen we ervoor zorgen dat onze identiteit er echt toe doet in onze organisatie. Dit is nodig om ons bestaan te legitimeren en om als instituut toekomst te hebben.

Deze toenemende aandacht voor de kern heeft praktische consequenties. We blijven binnen Driestar educatief nauwkeurig in ons benoemingsbeleid. We zoeken mensen die kwaliteit hebben. Maar daarnaast kijken we vooral ook of een kandidaat zich van harte verbonden weet aan de grondslag en de kernwaarden van onze identiteit en daaraan concreet gestalte weet te geven. Onze medewerkers volgen de nascholingsmodule “Brongericht werken”. Daarin lezen we bronteksten van Augustinus, Calvijn, Pascal en anderen en zoeken naar de vertaalslag naar onze werksituatie. Ook onze studenten maken kennis met zogenaamde bronteksten in de leerlijn persoonlijke ontwikkeling. Bij het doordenken van opleiding, onderwijs en vorming luisteren we naar de Bijbel, de belijdenisgeschriften en onze andere christelijke bronnen. Samen met de Theologische Universiteit in Apeldoorn investeren we in een promotiestudie over de vraag hoe een Bijbels mensbeeld zich verhoudt tot de huidige vraagstukken van onderwijs en opvoeding. De richtinggevende noties die we op het spoor komen, zijn leidraad voor de lectoraten bij de kennis die ze ontwikkelen. Ze behoren ook tot de basisbagage van elke student die bij ons afstudeert. Het is ons verlangen dat op die manier onze bijdrage aan het christelijk onderwijs echt gedragen wordt door de kern van ons geloof. We beseffen dat we dit niet in eigen kracht kunnen, dagelijks struikelen en ook in ons werk van genade moeten leren leven.

Nepal

De nadruk op kerndenken kan de suggestie wekken dat de grenzen er niet meer toe doen en dat normen en vormen onbelangrijk worden. Het tegendeel is waar. Als je met hart en ziel aan de kern verbonden bent, zal zich dat tonen in de normen en de vormen die je kiest. Integriteit, een mens uit één stuk zijn, betekent dat waarden en normen, principe en gedrag één zijn. Tegelijk leert het leven ons dat er verschillende keuzes mogelijk zijn in de vertaling van waarden naar normen. Die keuzes hangen samen met opvoeding, kerkelijke omgeving, regionale en nationale cultuur en leeftijd. Daarom kunnen en mogen er verschillen zijn. Het is winst als we elkaar hierin ruimte bieden en erkennen dat onze organisaties en contexten zo verschillend zijn dat er niet één route de enige of meest juiste is. In het gesprek daarover moeten we niet in de eerste plaats proberen te denken vanuit het verschil in normen, maar vanuit de al of niet gedeelde waarden.

Een prachtig en aansprekend voorbeeld hiervan is een instituut uit Nepal waarmee Driestar educatief contacten onderhoudt. Dit jaar nam Puspha Sunawar uit Nepal de eerste beurs uit ons Piet Kuijtfonds in ontvangst. Zij is onderwijsadviseur in het Early Childhood Education Centre (ECEC) in Kathmando. Haar ruim veertig collega’s zijn allen praktiserend christen en behoren daarmee tot een zeer kleine minderheid (1 procent) van de bevolking. Het centrum mag zich niet als christelijk presenteren. Toch vallen de medewerkers van ECEC op door hun christelijke levensinspiratie die doorwerkt in de kwaliteit en de impact van hun werk. Ze zijn herkenbaar en aantrekkelijk voor een breed publiek en helpen de overheid bij het ontwikkelen van goed onderwijs. Hoe kan dit in een hindoesamenleving? Een van de geheimen is dat ECEC veel investeert in kernbewaking. Elke dag komen de medewerkers een moment bij elkaar om de Bijbel te lezen, daarover te spreken, met elkaar te bidden en na te denken over hoe hun geloof doorwerkt in hun werk.

Wij kunnen zo’n voorbeeld niet een-op-een kopiëren naar onze situatie. We kunnen er wel van leren en ons erdoor laten inspireren. Ook wij komen voor nieuwe vragen te staan als we een kleine minderheid worden en onze omgeving steeds minder weet van christelijk geloof en christelijk onderwijs. Bij deze Nepalese christenen kunnen we zien hoe ze vanuit de kern van het christelijk geloof de eigen gemeenschap dienen en daarnaast allen die zich tot die kern voelen aangetrokken.

Richting

Ik begon met SGP-Kamerlid Van der Staaij omdat ik bij hem en zijn collega’s een zoektocht zie die ik herken binnen ons instituut. Hij probeert vanuit de kern de verbinding te houden met zijn achterban en tegelijk te zoeken naar een vertaalslag naar normen en vormen die helder, praktisch en aantrekkelijk zijn in de politieke omgeving waarin hij werkt. Ik zag ditzelfde ook gebeuren op het gemeentelijke niveau van de politiek. ”Bij de kern blijven” was het verkiezingsmotto van de regionale SGP in de Krimpenerwaard. Een motto dat, volgens de lijsttrekker, het praktische en het principiële combineert. Dat is de richting die ik voor me zie en waarin reformatorische organisaties verder kunnen denken en zich verder kunnen ontwikkelen. Zo kunnen ze hun achterban dienen en ook uitnodigend zijn voor anderen die zich aangetrokken voelen tot die kern.

 

 

Nederigheid – de moeder van alle deugden

NRCIn de Wetenschapsbijlage bij het NRC van 4 januari las ik een bijzonder artikeltje met als titel: ‘Nederigheid – de moeder van alle deugden’. De clou van dit artikel: Nederigheid is geen gebrek aan zelfvertrouwen, maar nederige mensen hebben juist een kalm en accepterend zelfbeeld.

Deze kennis over de psychologie van de nederigheid is afkomstig uit een bijdrage van een paar Amerikaanse psychologen aan een tijdschrift over sociale persoonlijkheidspsychologie. Zij schrijven over een aantal onderzoeken die op dit moment gedaan worden naar nederigheid.

Samenvattend geven zij een aantal kenmerken van nederigheid: Openstaan voor nieuwe inzichten, niet bang zijn om af te gaan, onder ogen zien van je eigen fouten, anderen gelijkwaardig achten, jezelf accepteren, niet gevoelig zijn voor de bedreigingen van het eigen ego, jezelf kennen en verantwoordelijkheid nemen als je iets verkeerd doet. Omdat nederige mensen niet zo bezig zijn met het oppoetsen van het eigen ego, hebben ze meer ruimte om oprecht blij te zijn als het goed gaat met andere mensen.

Tja soms wordt iets als nieuwe kennis gepresenteerd en gebaseerd op onderzoek, terwijl oude bronnen die kennis ons al eeuwen lang voorhouden. De Bijbel heeft het bijvoorbeeld over ‘de ander uitnemender achten dan jezelf’ of je ‘te verblijden met de blijden’ , ‘elkaar te bemoedigen’, en Jezus zegt tot zijn discipelen: ‘Wie belangrijk wil worden die moet dienaar zijn’.

C.S. Lewis zei dat nederigheid is ‘not thinking less of yourself, but thinking of yourself less’.