Spreken over identiteit en religie

In het RD van 7 februari schrijft dr. Sam Janse een erudiet essay ‘Waarom Wilders maar half gelijk heeft’, over het gesprek met de islam en de eventuele gewelddadigheden van deze religie. Hij reikt daarin een aantal, voor mij, nieuwe inhoudelijke aspecten aan om dit gesprek te voeren. Maar wat ik er voor dit blog vooral uit wil halen, zijn de inzichten die hij geeft in het voeren van discussies over religie. Immers gesprekken over religie en identiteit zijn niet gemakkelijk. Vaak verzanden ze, bereiken niet hun doel, leveren veel verkeerde emoties op en leiden zelden tot een constructieve uitwisseling.

sam janseJanse onderscheidt een drietal posities die je in een religie-gesprek kunt innemen.

De analyse: je blijft op afstand, koestert een zeker wantrouwen ten opzichte van de ander en zijn religie of identiteit en je betracht objectiviteit.

Openheid: je gaat het gesprek open in, je zoekt ook nabijheid en probeert de ander te begrijpen. Er is minder afstand en je bent minder kritisch en mogelijk ook niet objectief.

Een constructieve middenpositie: je gaat het gesprek in met een open houding, maar je koppelt daaraan een scherpe analyse en je gaat de moeilijke vragen niet uit de weg.

Toegepast op het gesprek met de Islam ziet Janse Wilders als degene die voor de eerste benadering kiest. Wilders concludeert dat de Islam een politieke ideologie is en een religie die in zijn wezen gewelddadig is.

Karen Armstrong is een exponent van de tweede benadering. Zij ziet de islam als in wezen vredelievend en volgens haar weten de moslimterroristen niet wat hun religie inhoudt.

Janse laat de beperkingen zien van beide benaderingen en zoekt zelf naar de constructieve middenpositie. Een open houding, betrokken op de ander, maar wel een scherpe analyse en de moeilijk vragen niet uit de weg gaan. ‘Het kopje thee mag niet ontbreken’, maar de moeilijke vragen moeten wel op tafel komen. De moeilijkheid is dat in het publieke debat, waar deze discussies vaak worden gevoerd, het kopje thee ontbreekt en alleen de moeilijke vragen overblijven. Daarmee worden tegenstanders zelden overtuigd, hoewel het publieke debat wel van belang is voor de opinievorming van de buitenstaanders, overtuig je er zelden een tegenstander mee. Tegenstanders bevechten elkaar in de media, maar als je ze bij elkaar zet lijken ze veel dichter bij elkaar te zitten, dan je uit hun opinieartikelen dacht af te leiden.

In het genoemde essay laat Janse zien wat deze houding betekent in het gesprek met de Islam. Ik vind dit een mooi voorbeeld. Vanuit een open en betrokken houding, niet een klein miljard mensen op deze aarde afschrijven omdat ze moslim zijn, maar wel de scherpe analyse plegen en de moeilijke vragen te berde brengen. Benieuwd hoe hij dit doet? Zie zijn essay.

Janse is ons tot voorbeeld om een manier van gesprek te beoefenen tussen religies en over identiteit. Deze route moeten we meer bewandelen. Betrokken zijn, openheid betrachten, maar wel de vragen stellen die we hebben naar elkaar en daarover het gesprek aangaan.

Te vaak kiezen we voor de benadering van Wilders of die van Armstrong.

Nu kreeg ik pas van een collega een communicatiemodelletje aangereikt. Het brengt in beeld wat Janse beschrijft. Ik weet niet aan wie het ontleend is en met welke naam het bekend is, ik noem het de confrontatiematrix.

Confrontatie-matrixAls je iets ziet gebeuren bij de ander b.v. een collega waar jij het niet mee eens bent, zijn er verschillende mogelijkheden om dit aan te kaarten. Als je een goede relatie hebt met deze collega dan ben je geneigd om het door de vingers te zien, het toe te dekken, de ander te verdedigen.

Als je geen nauwe relatie met de collega hebt en de zaak op zich je de moeite niet waard is, vermijd je om erover te spreken.

Als je het gesprek wel wil aangaan, omdat het je hoog zit, omdat het iets betreft wat volgens jou echt niet kan of waardoor b.v. het hele team in de problemen komt, dan hangt het erg af van de relatie die je met de betreffende collega onderhoudt hoe het gesprek gaat overkomen en wat het gaat opleveren.

Heb je niet of nauwelijks een relatie, maar stel je het probleem onomwonden aan de orde, dan is er sprake van forceren. De ander zal het moeilijk vinden om de boodschap van jou te ontvangen, hij heeft immers niets met jou en waar bemoei jij je eigenlijk mee. Grote kans dat het effect nihil of zelfs negatief zal zijn. De ander gooit de kont tegen de krib en verzet zich juist tegen jouw inmenging.

Is het iemand met wie je een goede relatie hebt, dan zal die ander jouw reactie belangrijk vinden, immers  hij wil graag dat die relatie in stand blijft en onder vrienden moet zoiets ook gezegd kunnen worden. Pas dan is er sprake van confronteren en dit zal waarschijnlijk effect hebben.

Om iets moeilijks bespreekbaar te maken, moet er dus een relatie zijn, wil je enige kans op begrip en verandering kunnen maken.  Alleen vanuit een relatie kun je confronteren op zo’n manier dat het invloed heeft. Anders wordt het op zijn best forceren en dat wekt boosheid, weerstand en verzet.

Naarmate de problematiek die je wilt bespreken dichterbij de persoon komt is dit belangrijker. Juist in gesprekken over de diepe dingen van ons leven, godsdienst, levensbeschouwing, overtuigingen die we hebben en identiteit, is een vruchtbaar gesprek alleen mogelijk als er iets van een relatie is. Zonder ‘het kopje thee’ zal er niet snel begrip bij de ander ontstaan en zeker geen gedachten- of gedragsverandering plaatsvinden. Het theedrinke van Job Cohen, tijdens zijn burgemeesterschap van Amsterdam, was nog niet zo gek, hoewel hij daar wel om is verguisd, m.n. door de mensen die vooral de Wilders-aanpak kiezen in de omgang met onze medelanders.

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie, Identiteit, Leiderschap. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *